zaterdag 27 september 2008

Spookschilder

In Tate Modern loopt een overzichtstentoonstelling van werk van Mark Rothko, en die werd gisteravond besproken in het BBC kunstprogramma Newsnight Review. Je moet, zo hoorde ik de slissende curator eerder die avond behulpzaam uitleggen, lang voor zo’n Rothko-doek gaan staan, zodat het je ‘kan veroveren’. Als je er te snel langsloopt zijn het maar gewoon gekleurde vierkanten, maar als je er uitvoerig naar gaat sjtaren openbaren zich naar sjijn sjeggen ongekende betekenisjdiepten. Ik vermoed dat hier dan ongeveer hetzelfde mechanisme aan het werk moet zijn dat er voor zorgt dat vier bijgelovige mensen midden in de nacht in een donkere kamer spoken gaan zien. Voor mij is het een verloren zaak. Alle pogingen met stil ontzag naar dit soort werk te kijken worden prompt overweldigd door lachlust en hoofdschudden in het bijzonder, en meer in het algemeen door de stellige zekerheid dat we met zijn allen stapelgek zijn geworden. Als de winterschilder je woonkamerwand zo zou achterlaten zou je hem aanklagen, maar als er Rothko onderstaat kost het miljoenen en barsten de meer gevoelige beschouwers in tranen uit bij de aanblik. Nou ja, dat kan ik me eigenlijk nog wel voorstellen ook.

In Newsnight Review vertelde een sympathieke comédienne hoe ze het bezoek aan een zaal vol gitzwarte doeken (ik bedoel dat letterlijk, gewoon helemaal zwarte doeken) een enorm bevredigende ervaring had gevonden. De doeken hadden haar gedwongen rond te lopen en als ze rondliep zag ze de werken veranderen onder de verschuivende lichtval. Presentatrice Kirsty Wark en een van de andere studiogasten buitelden er overheen, tegen elkaar opbiedend in ruimhartige, bijdetijdse kunstminnendheid. Die penseelvoering! De transparantie! De ondoorzichtigheid! Het materiaalgebruik! De texturen! De toeren die Rothko uithaalde om zijn pigmenten goed te mengen! Tjonge, dacht ik, wat zijn we druk om met elkaar het verhaal te verzinnen dat van Rothko een grote kunstenaar maakt; want aan zijn doeken zal het echt niet liggen. Ik was blij met Ian Hislop, die de moed en de eerlijkheid had om te zeggen dat hij het allemaal leuke wanddecoratie vond voor een trendy restaurant, maar zich in zo’n museum serieus afvroeg waar hij nou eigenlijk naar stond te kijken.

Toch bleef er iets knagen, of beter gezegd iemand, want die comédienne was echt sympathiek en ik kon en wilde niet geloven dat ze daar maar zo’n beetje zat te liegen, dat haar enthousiasme alleen maar een kwestie was van keeping up with the Joneses. Ik geloofde liever dat ze die enorm bevredigende ervaring echt had gehad daar in die zaal vol zwarte doeken. Maar hoe dat te verklaren? Bestaat er misschien zoiets als een artistiek placebo-effect? Dat je jezelf zo hebt ingepeperd dat je grandioze kunst gaat zien dat je die ervaring vervolgens ook inderdaad hebt, ongeacht wat er aan de muur hangt? Of zijn er mensen die werkelijk innig bewogen kunnen worden door louter kleur en textuur? Maar waarom lopen die mensen dan niet in een chronische kunstzinnige extase door de wereld? Waarom staan ze niet, onderwijl uitdagende verkeerssituaties veroorzakend, midden op straat ademloos naar bladderende panden te staren, af en toe met een zakdoekje een ooghoek droogdeppend? Kleur en textuur zijn tenslotte overal, daar hoef je niet voor naar het museum. Kunst op zijn Rothkos ligt voor het oprapen, kijk maar. Het doet er blijkbaar dus toch toe waar het werk te zien is en wiens naam eronder staat, dat je er een catalogus van kunt kopen (leuk stalenboek voor de volgende opknapbeurt van de woonkamer), en er in televisieprogramma’s hoogdravende taal over kunt uitslaan. Zo eindig ik tot mijn leedwezen dan alsnog bij de slotsom dat in de zalen van Tate Modern de nieuwe schilderijen van de keizer hangen.