zaterdag 12 juli 2008

Aaifoon

U bent al te laat. Uitverkocht zijn ze, de Appel Aaifoons. Wachten moet u, voordat ook u de ultieme vervulling van uw bestaan in uw handen mag houden en daarbij tegelijk het genoegen smaakt de kas van Apple te spekken met een megawoekerwinst (de Aaifoon gaat bij verkoop in Nederland vaker over de kop dan een fles tafelwater bij Jonny Boer). Eigen schuld – dan had u maar een voorbeeld moeten nemen aan meer bijdetijdse landgenoten en voor de deur van de Belwinkel moeten gaan bivakkeren. Troost u, ik heb er ook geen hoor. Wat heet, als het aan mij gelegen had ging ik waarschijnlijk nog altijd mobielloos door het leven. Zelfs mijn vaste telefoon is de helft van de tijd niet ingeplugd. Ik heb het nooit begrepen, die zuchtige hang naar onbegrensd contact. Hoe kom je er zo ooit nog toe om Doktor Faustus te lezen, of de Norton Shakespeare editie? Wanneer luister je nog naar de Ring des Nibelungen, als je bij ieder rinkeltje van je kleine terrorist in een Pavlov-reflex schiet?

Maar sommige dingen zijn onontkoombaar. Dus kreeg ik mijn eerste mobieltje cadeau van een vriendin die het niet langer pikte dat ik vanuit de trein niet kon bellen als ik op weg naar haar vertraging had. Behalve zij geloof ik niet dat iemand ooit het nummer geweten heeft. Niet dat het veel uitmaakte of je het wist, want het apparaat stond altijd uit. Dat geldt trouwens ook voor de opvolger: een hip, klein uitklapdingetje dat ik in een roes van depersonalisatie heb aangeschaft nadat ik bij het verscheiden van de debuuttelefoon tot mijn verbijstering ontdekte dat ik niet meer zonder kon; dat zo’n ding toch wel heel handig is, als je te laat dreigt te komen op een afspraak of in een vreemde stad wilt weten op welk terras je je gezelschap aantreft. Verder is er overigens niet veel veranderd. Hoe blij het kleine onding me bij het inschakelen ook verzekert dat ik nu bij de mobielende Funclub hoor, meestal ligt het stilletjes en sprakeloos in een hoekje van de logeerkamer. Altijd uit. Onlangs stond ik bij de receptie van het Ministerie van Justitie waar men graag mijn mobiele nummer wilde noteren omdat men dan iedereen in het gebouw waarschuwen kon in geval van calamiteiten. Leek mij geen erg praktische aanpak, maar dat terzijde. Lastiger was dat ik, tot hilariteit van de baliemeneer, een collega moest bellen om na te vragen wat mijn nummer ook weer was.

Nee, ik zal met de Funclubs en de Aaifoons nooit die warme band krijgen die ik bij zovelen om mij heen zie. Verbluft vraag ik me telkens weer af wat al die mensen toch in godsnaam allemaal met elkaar te bespreken hebben. Je gaat soms vrezen dat er buiten de banale alledaagse conversatie een hele mobiele werkelijkheid bestaat, een parallel ultrakorte golf universum waar de ècht interessante zaken rondkaatsen. Midden in etentjes gaan die dingen af en in plaats dat de eigenaar het kreng beschaamd het zwijgen oplegt wordt het triomfantelijk aangenomen en zit er ineens een onzichtbare extra gast aan tafel. Restaurants, café's, treinen en wachtkamers zijn vergeven van de meest bizarre muziekjes en geluidseffecten, in een niet aflatende concurrentieslag van de mobielers om unieker en opvallender te zijn dan hun soortgenoten. Geen enkele sociale omgeving is veilig. Toen Gergiev in het Concergebouw Mahler’s Achtste stond te molesteren ging op het balkon, net om de hoek van waar ik zat, een GSM af die ook al met doodgemoedereerde vanzelfsprekendheid werd aangenomen door een verveeld kijkende meneer (die verdacht veel leek op Bart Schneemann, in welk geval hier misschien een moedwillige sabotageactie gaande was – alsof dat nodig was terwijl Gergiev met zijn esoterische slag zonder veel succes twee verbouwereerde koren bij elkaar probeerde te houden, en zijn invaltenor met rood aangelopen hoofd stond te stampvoeten in de hoop dat ‘m dat zou helpen wel de goede noten te zingen). Na een bombardement van vernietigende blikken, waaronder die van Martijn Sanders vier stoelen verderop, koos de beller er uiteindelijk, zonder veel haast, toch maar voor zijn gesprek op de gang voort te zetten. Na een tijdje kwam hij terug en tien minuten later herhaalde het tafereel zich op exact dezelfde wijze – hij had het ding niet uitgezet. Dat kun je natuurlijk menselijkerwijs ook niet verlangen. In China, dat ons in dit opzicht jaren vooruit is, is (zo weet ik uit ervaring) tijdens concerten de muziek soms nauwelijks meer te horen door het ononderbroken spervuur van bliepende, tingelende en hiphoppende GSMs.

Het is niet voor niks dat Apple het een iPhone noemt, met de nadruk op “i”. De GSM is het ultieme totem van het ik-tijdperk. Als een vette, gretige spin zit de mobielist in het hart van zijn eigenste communicatieweb. Onvermijdelijk zal Beatrijs Ritsema haar etiquette-richtlijnen op dit punt moeten gaan bijstellen. Ze onderkent al wel dat de moderne jongere zonder zijn mobiel niet bestaat, maar is toch nog veel te streng: “het is nog steeds niet gepast om in een kring van familieleden met anderen te gaan zitten bellen. Dit is meer iets voor op een jongerenhangplek.” Het zal uiteindelijk zoiets worden als, “het is niet gepast om in familiekring zomaar met elkaar te gaan zitten praten, en al helemaal niet om door te gaan met praten wanneer iemand mobiel wordt gebeld. Dat is meer iets voor in een ouderenrustoord.”