zaterdag 4 juli 2009

Paard & Ziek

Een zonnige ochtend aan het begin van een mooie week. Blauwe hemel, zachte wolkjes, blije vogels, even een sprintje trekken om niet door de terreinsproeiers te worden geraakt – wat doet op zo’n ochtend die zeurende ongerustheid in je buik? Toen ik het gebouw binnenkwam tikte de receptionist op zijn raam. “Er heeft een huisarts voor je gebeld.” Meer niet, maar ineens werd de wereld heel klein en heel stil en veranderde de zeurende ongerustheid in een wild fladderende, gekooide vogel. Mijn huisarts was net een uur aan het werk na zijn vakantie.

Achteraf lijkt alles geladen met betekenissen. Dat de huisartspraktijk van de waarnemer, waar ik me dan toch maar eens meldde met dat hardnekkige kuchje, gevestigd was in de voormalige kapel van een verzorgingstehuis, het kruis nog op de buitenmuur. Dat ik moest wachten voor een rouwstoet toen ik terugkwam van de röntgenfoto.

Een week later, na dagen waarin heel aardige mensen onnoemelijke dingen hebben gedaan met mijn lijf, zit ik in een klein wit kamertje, samen met lieve W. zonder wie ik die week niet had kunnen doorstaan. Aan de dokter tegenover ons is ook alles wit, zijn jas, zijn haar, zijn tanden, zijn huid, zelfs zijn ogen, bijna, die zijn heel helder blauw. Een engel, maar van wat? Hij zegt de dingen waar je anderen wel eens over gehoord hebt en die dan bijna erger lijken dan wanneer het over jezelf gaat, maar dat komt misschien omdat het een stuk gemakkelijker is sommige dingen tot je te laten doordringen als ze niet over jezelf gaan. Hij zegt ze rustig, leidt me met zachte hand zodat ik zelf de pijnlijkste conclusies uitspreek, niet hij. De verpleegkundige naast hem heeft tranen in haar ogen. Dat lijkt me niet goed. Op het beeldscherm kom ik in plakjes voorbij. Daar zijn mijn longen. Een firmament met een grote, slechte maan en verder bezaaid met boze sterren, genoeg voor een melkweg.

Niet alles wordt me afgenomen. Er is sprake van ‘knokken’, van ‘jaren’, van Lance Armstrong zelfs. De kanker gedraagt zich merkwaardig netjes, de dokter snapt het ook niet goed, door zich breeduit te huisvesten in mijn longen maar nergens anders. Ik haal diep adem en ben verbaasd dat ik dat nog steeds kan.

Buiten is de wereld alleen maar warmer en zonniger geworden, en doen mensen in korte broeken en zomerjurken alsof het leven de gewoonste zaak van de wereld is, alsof het niet morgen hun beurt kan zijn. In de supermarkt is het koel en is alles als altijd. Als ik buiten kom regent het, bij dertig graden, en slaat de stoom uit de stad. Zachtjes rommelt de donder, de hemel weet niet meer of ze klaar of dreigend wil zijn. Gierend van het lachen rent een mevrouw voorbij op klepperende slippers, “…en ik heb mijn computer buiten laten staan!”

Ik ben rustig. De angst is erger dan het weten. Vandaag is een dag, aan morgen denk ik niet, en overmorgen – ach, overmorgen is ver weg. Iedereen is ontzettend lief, en daar moet ik meer van huilen dan van de ziekte, die geen tranen verdient, alleen maar een daverend chemisch bombardement. Tot alle sterren vallende sterren zijn geworden of koude, zwarte dwergen.

Op mijn toilet hangt de poëzie scheurkalender, die me sinds begin dit jaar heeft geleerd dat ik moderne Nederlandse poëzie over de grote linie onzinnig gebazel vind, of puberale leukdoenerij, of pretentieuze bombast. Allemaal amechtige pogingen om taal muziek te laten zijn, wat natuurlijk niet kan. Het gedicht van de dag lees ik steeds pas de dag erna, omdat ik ’s morgens, zonder bril op het gemak gezeten te ver van de kalender ben om de woorden te kunnen ontcijferen – dat kan dus pas als ik het blad afscheur. Dinsdag, toen ik eigenlijk al wist wat ik nog niet wist, las ik een gedicht van Mark Strand dat de kalender zijn aanschafprijs toch nog waard maakte. Nou is Strand ook geen Nederlandse dichter, dus ik heb snel het origineel opgezocht dat zoveel beter is nog dan de brokkelige vertaling:

IN CELEBRATION

You sit in a chair, touched by nothing, feeling
the old self become the older self, imagining
only the patience of water, the boredom of stone.
You think that silence is the extra page,
you think that nothing is good or bad, not even
the darkness that fills the house while you sit watching
it happen. You’ve seen it happen before. Your friends
move past the window, their faces soiled with regret.
You want to wave but cannot raise your hand.
You sit in a chair. You turn to the nightshade spreading
a poisonous net around the house. You taste
the honey of absence. It is the same wherever
you are, the same if the voice rots before
the body, or the body rots before the voice.
You know that desire leads only to sorrow, that sorrow
leads to achievement which leads to emptiness.
You know that this is different, that this
is the celebration, the only celebration,
that by giving yourself over to nothing,
you shall be healed. You know there is joy in feeling
your lungs prepare themselves for an ashen future,
so you wait, you stare and you wait, and the dust settles
and the miraculous hours of childhood wander in darkness.