Posts tonen met het label Boeken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boeken. Alle posts tonen

zondag 17 oktober 2010

Overkoepeld

Stephen King – dat was lang geleden. Zeker wel sinds mijn middelbare schooljaren, toen ik regelmatig zo'n omvangrijke pil ter hand nam waarin elk hoofdstuk vooraf werd gegaan door een zooi Bijbelcitaten, iets wat me toen indrukwekkend en best literair voorkwam. Veel literairs heb ik in Under the dome weliswaar niet kunnen ontdekken, hoe dik het boek ook is (en ook de Bijbelcitaten bleken verdwenen), maar als maker van spannend vertier kent King geen meerdere, daar ben ik opnieuw van overtuigd geraakt. Der Zauberberg, het actuele leesproject, legde het pardoes tegen zijn kunsten af. Veel te laat ging elke avond het nachtkastlampje uit, omdat stoppen eigenlijk geen optie was.

Ik werd verleid door het gegeven, dat, nee, echt niet gejat is van 'Simpsons, the Movie' - King werkte al in de jaren '70 aan dit idee. Op een dag in oktober valt zomaar uit het niets een enorme, onzichtbare barrière neer rondom een kleine dorpsgemeenschap - een reusachtige koepel van kilometers hoog en honderden meters de grond in. Lucht kan er een beetje doorheen, water nog minder, en verder niets: de dorpelingen zijn plots hermetisch van de buitenwereld afgesloten. Auto's, vliegtuigen en bommen slaan hulpeloos te pletter tegen een onverbiddelijk niets. De president van de VS kan op zijn strepen gaan staan en bevelen uitvaardigen over wat er binnen de koepel moet gebeuren om de situatie in goede banen te leiden, maar heeft geen enkele manier meer om zijn gezag daadwerkelijk te doen gelden. Chester's Mill, zoals het ongelukkige plaatsje heet, staat er alleen voor.

Het interessante aan Under the dome is dat King zich op dat laatste gegeven concentreert. Wat de koepel is, waar die vandaan komt en waarom, zijn vragen die hij ver van zich af schuift, al worden ze uiteindelijk natuurlijk wel beantwoord. Maar het boek gaat over de dynamiek tussen de dorpelingen, waarin al snel de machtsgreep van een vilein gemeenteraadslid centraal komt te staan. Ineens blijkt het boek verrassend actueel. Het is een hyperbolische studie van het populisme. Achter de zelfgenoegzame christelijke snoodaard die Chester's Mill als zijn persoonlijke bezit beschouwt grijnst het gezicht van Sarah Palin. Leugens en spin weven zich ineen tot een alternatieve werkelijkheid alleen maar gemaakt om macht te krijgen. Als lezer word je er zo boos van dat je het boek niet meer kunt loslaten.

En al heb ik er niet veel literairs in kunnen ontdekken, King heeft wel een sinister talent voor het beschrijven van het moment van (al dan niet bijna) doodgaan – dat ontwikkel je onvermijdelijk, vermoed ik, als je boeken schrijft waarin zo ontzettend veel mensen het loodje leggen:

"For a moment forever yawned at his feet, a clear dark chasm."

Of:

"The precious world, suddenly grown thin and insubstantial, was now only a single gauze wrapping between him and whatever came next."
Het is alleen jammer dat, zoals meestal in boeken waar de spanning zo genadeloos wordt opgevoerd, de ontknoping best wel een beetje tegenvalt. Under de dome gaat vrij plotseling en als een nachtkaars uit. We hebben alle antwoorden en voelen ons toch niet echt bevredigd. Helemaal overtuigd door de psychologie van het boek was ik ook niet. Hoe vreemd de situatie ook is, zou een goed lopende kleine dorpsgemeenschap echt maar een paar dagen tijd nodig hebben om te degenereren tot de moordzuchtige chaos waarin Chester's Mill al snel verkeert? Zouden echt maar zo weinig mensen door de schaamteloze manipulaties heen prikken waaraan het dorp door zijn zelfgekozen leider wordt onderworpen? Zouden alle goeien echt zo slim zijn, en alle slechteriken echt zo dom? Maar ja. Dan denk ik aan Geert en zou het zomaar eens kunnen.

Geen idee. Ik ga de 1000 bladzijden er niet nog eens op nalezen; wacht wel op de TV-serie die inmiddels in de maak is. Nu terug naar tovenaar Thomas, want wat King ook is, een Mann is hij niet.

zondag 26 september 2010

Idioot Nederland

Het zijn zware tijden voor de ingewanden. Een onbewaakte blik op het journaal en alweer slaat de zelfgenoegzame grijns van Rutte je tegemoet. Als je pech hebt krijg je die van vriendje Verhagen erbij, en een heleboel ouwejongenskrentenbrood schouderklopperij. M&M. Samen draaien ze een kapitalistische begroting in elkaar waarin zo'n beetje alles kapot bezuinigd wordt dat Nederland nog een beetje een aardig land maakt, en kennelijk scheppen ze daar een groot genoegen in. Ieder voor zich en Wilders voor ons allen – die heeft, in tegenstelling tot M&M, in elk geval nog een ideologie.

Hoe is het in vredesnaam zo ver gekomen dat dit soort griezels, corpsballen en schertsfiguren echt iets te zeggen krijgen over wat er in Nederland gebeurt?

Kort geleden las ik een vermakelijk en verhelderend boekje. Het heet 'Idiot America. How stupidity became a virtue in the Land of the Free'. Het probleem van het populisme beperkt zich bepaald niet tot Nederland. Auteur Charles Pierce analyseert de Amerikaanse cultus van de onderbuik, en stelt vast dat de arena's van media en politiek tegenwoordig worden beheerst door drie Grote Premissen:

  1. Iedere theorie is waar als ze maar boeken verkoopt, kijkcijfers genereert of anderszins eenheden verplaatst.
  2. Alles kan waar zijn als iemand het maar hard genoeg zegt.
  3. Een feit is datgene wat genoeg mensen geloven. Waarheidsgehalte wordt bepaald door hoe fervent ze het geloven.
In Idiot America, en in Idioot Nederland dus ook, is het laatste wat je doet als je iets over een onderwerp wilt weten, naar de mensen gaan die er daadwerkelijk studie van hebben gemaakt. Zulke mensen zijn elitair en er bij voorbaat op uit om je een loer te draaien. Veel liever wordt er daarom voor gekozen te geloven in allerlei willekeurige, halfzachte analyses door hard roepende amateurs, analyses die altijd het prettige voordeel hebben dat eruit komt wat je zelf toch al dacht of vond. Om die reden heeft Martin Bosma net een dik boek uitgebracht onder de kreupele titel 'De schijn-élite van de valse munters'. Alles is waar als je het maar hard genoeg zegt en als het maar verkoopt. Wilders roept al zo lang zo hard over islamisering, en zoveel mensen zijn hem gaan geloven, dat je tegenwoordig zelfs in de meest serieuze media vergeefs zoekt naar de simpele kanttekening dat het hele fenomeen niet bestaat – het is een hersenspinsel, of, zoals de Indonesische ambassadeur scherp had gezien, een angstpsychose. Het is wat dat betreft een zure ironie dat een beweging die zelf integraal drijft op geloofsdogma's (en het woord van de Ene Leider), haar oppositie uitmaakt voor kerk. (En even ironisch natuurlijk dat Wilders, die over Moslims alles mag zeggen, in de hoogste boom klimt zodra een Moslim iets over hem zegt. Geert werd boos op de ambassadeur, Maxime sprong in de bres, en nadat de ambassadeur zijn excuses had gemaakt toonde Geert zich tevreden: 'Hij is tot mijn vreugde flink door het stof gegaan'. Let op de behoefte aan vernedering in die woordkeus; dat zijn de middelen waarmee Geert zich van zijn eigen superioriteit probeert te overtuigen.)

Het gebeurt allemaal onder het mom van democratie en vrijheid. Het aardige van Pierce's boekje is dat hij laat zien hoe figuren als Sarah Palin, die de mond vol hebben over Amerika's oude waarden, de idealen van de Founding Fathers feitelijk met voeten treden. De mannen die de Amerikaanse democratie op poten zetten wisten heel goed wat er nodig was voor het welslagen van dat project: een goed opgeleide, rationeel denkende bevolking die in staat is weloverwogen en verstandig te kiezen op basis van feiten. Maar de populisten, Palin daar en Wilders hier, zetten de feiten als eerste overboord en geven hun kiezers een vrijbrief om datzelfde te doen, of erger, bieden de kiezer als alibi hun zelfbedachte populistische 'feiten' aan, die wat makkelijker te verhapstukken zijn dan de werkelijkheid. Zo is het gekomen dat hele volksstammen tegenwoordig denken dat klimaatverandering een kwestie van geloof is. Of dat als we het tij niet snel keren, Nederland over 20 jaar onder islamitische wetgeving zal vallen. Of dat het met de veiligheid op straat een stuk beter zal worden als we minimumstraffen invoeren, tbs-verlof afschaffen en zoveel mogelijk mensen opsluiten.

Lastig is het allemaal wel. Graag wordt links verweten dat het geen goed antwoord heeft op de populistische beweging. Maar er is geen goed antwoord op zulke gekte. Er zijn maar twee opties. Zelf ook heel hard onzin gaan roepen die goed verkoopt. Of, veel beter, je gezonde verstand bewaren en de feiten voor het voetlicht blijven brengen. Dat laatste helpt natuurlijk evenmin, want getuigt van elitaire minachting voor de populistische kiezer die zich dus alleen maar harder van je afkeert – maar in elk geval blijft je integriteit intact. Verder moeten we dan maar bidden en erop vertrouwen dat al deze idiotie snel over zijn eigen benen struikelt.

maandag 22 februari 2010

Serendipiteit

Vroeger komt vaak op mijn pad dezer dagen. Het is net alsof, nu de toekomst onzeker is geworden (of nee, niet onzeker is geworden, maar nu de enige zekerheid die de toekomst biedt plotseling zoveel dichterbij gekomen is), het verleden daarvoor in de plaats treedt. De ruimte vooruit is klein geworden, maar die naar achter opent zich. Een paar avonden geleden kwam het er zo van dat ik weer eens celloduetten speelde die ik sinds mijn beginjaren op het instrument niet meer onder ogen had gehad. Reinagle. Een weekend eerder speelde ik met mijn nichtje van tweeëneenhalf met oude plastic bouwstenen die ooit de eerste aanzetten voor mijn architectuurtic moeten hebben gegeven toen ik niet veel ouder was dan zij nu is, en die ik sedert niet meer gezien had. Op andere momenten dient het voorbije zich onverwachter aan, via een keten van toevalligheden die dan achteraf helemaal niet toevallig lijken. Serendipiteit heet dat geloof ik.

Gistermiddag zag ik A Single Man, een mooie, stille, verdrietige film die me nieuwsgierig maakte naar het boek. Daar loonde zich jarenlange verzamelwoede, want dat boek stond zowaar thuis in de kast. ’s Avonds op de bank gekropen met Isherwoods novelle, die nog stiller, nog verdrietiger is dan de film, en mooier ook, voor zover zulke uiteenlopende genres te vergelijken zijn. Leven en dood, ouder worden, het onverbiddelijke tikken van de klok, daar gaat het over, maar op de meest intieme, alledaags denkbare manier – de laatste dag uit een mensenleven.

But now isn't simply now. Now is also a cold reminder: one whole day later than yesterday, one year later than last year. Every now is labeled with its date, rendering all past nows obsolete, until - later or sooner - perhaps - no, not perhaps - quite certainly: it will come.
Op pagina 62 probeert George Falconer, de single man uit de titel, zijn klas te interesseren voor Huxley - After many a summer. Laat ik nou ook ooit een Huxley fase hebben gehad… Nog een duik in de kast levert een oud, zesdehands hardcovertje op, in een antiquariaat aangeschaft in de jaren dat ik nog geen geld had voor nieuw, en nog niet wist dat Huxley niet mijn ding is. Ex Libris J.L.W van de Haas (houtsnede van een haas die tegen een stralende achtergrond voor een opengeslagen boek zit). Een vreemde roman, After many a summer; over een rijkaard die eeuwig wil leven, en niet tot het inzicht kan komen dat er waardevollere, meer wenselijke dingen zijn, dat eeuwig leven misschien zelfs wel iets heel gruwelijks is.

En daar gaat dat gedicht van Tennyson dan weer over, waar de titel van het boek aan ontleend is. Tithonus, ooit de schone minnaar van de Dageraad, kreeg van Zeus het eeuwige leven kado, omdat de oppergod wat goed te maken had met Aurora. Nu smeekt hij de goden dag na dag om hun geschenk terug te nemen, maar tevergeefs. (Hij heeft overigens minder bezwaar tegen de onsterfelijkheid dan tegen het feit dat die niet gepaard gaat met eeuwige jeugd - wat dat betreft waren de Grieken en hun helden heerlijk aards). Ik sla Huxley open op zoek naar het Tennyson-citaat. Een geplastificeerd roze kaartje valt op mijn schoot vanachter het omslag. Een oude studentenkaart, 1990-1991. Studentnummer 8525196. Een twintig jaar jongere zwart-wit versie van mezelf kijkt me aan. Als je die rare bril wegdenkt was ik in die jaren lang zo lelijk niet als ik toen dacht. Op dezelfde pagina lees ik wat ik zocht.
The woods decay, the woods decay and fall,
The vapours weep their burthen to the ground,
Man comes and tills the field and lies beneath,
And after many a summer dies the swan.

vrijdag 6 februari 2009

Kunst dem Volk

Hans Abbing is een echt manusje van alles. Hij is econoom. Hij is professor in de kunstsociologie aan de UvA. Hij tekent kruisingen tussen aliens en kampslachtoffers. Hij fotografeert bewogen foto’s met randpedofiele thematiek – tja, dan heet je tegenwoordig al snel een kunstenaar. En nou heeft hij ook nog een boekje geschreven, over hoe het verder moet met de klassieke uitvoeringspraktijk in de muziek. Want dat weet Hans Abbing, en dat belooft wat.

De hoge kunst, de kunst van de beschaafde burger, is over haar historische hoogtepunt heen. De bezoekersaantallen van de gevestigde kunsten nemen gestaag af terwijl de kosten blijven stijgen. De traditionele hoge kunst staat in deze tijd voor een dramatisch dilemma: vernieuwen of verdwijnen. Tegelijkertijd is de nieuwe kunst aan een onstuitbare opkomst bezig. Een in omvang en veelzijdigheid toenemend aanbod bedient een snel groeiend en gretig publiek. De nieuwe kunst onderscheidt zich vooral van de gevestigde kunsten door de ongedwongen en informele sfeer. Sfeer en emotie zijn bepalend geworden in de voorkeur en keuze van het publiek. Innovatie, inventiviteit en marktwerking zijn de krachten van de nieuwe kunst, terwijl de hoge kunst is opgesloten geraakt in een vicieuze cirkel van inertie, zelfgenoegzaamheid en subsidie. Deze ontwikkelingen zijn het duidelijkst zichtbaar in de muziek. Hans Abbing plaatst daarom in Van hoge naar nieuwe kunst de open en communicatieve cultuur van de popmuziek tegenover de formele en in zichzelf gekeerde klassieke muziek praktijk. Hij bepleit de noodzaak om nieuwe vormen te vinden die de klassieke muziek praktijk kunnen revitaliseren. Want wil de klassieke muziek haar publiek behouden dan zal er een denkomslag moeten plaatsvinden.
Ai ai. Mocht u er ondanks bovenstaande het fijne van willen weten dan kunt u dat lezen in Abbings inaugurele rede uit 2006, te vinden alhier. Hoeft u meteen dat boekje niet meer te kopen, kunt u van dat geld mooi weer naar een klassiek concert. De kern van de zaak is overigens simpel. “Ik ben van mening dat het cultureel kapitaal van de meeste mensen zo van samenstelling is veranderd, dat zij niet meer met gemak en plezier kunnen deelnemen aan de gebruikelijke formele consumptiewijze van hoge kunst evenementen.” Professor Abbing bedoelt natuurlijk dat in deze tijden waarin ADHD een nationale epidemie is geworden mensen niet meer kunnen stilzitten. De zapgeneratie kan zijn gedachten gewoon niet langer dan drie minuten tot één ding bepalen, tenzij het heel hard, bont en druk is, dan is vier minuten misschien haalbaar. Dat klopt. Maar Abbing verbindt daar een wat merkwaardige conclusie aan: het probleem zit ‘m niet bij die verzapte jeugd, nee, de klassieke sector is gewoon veel te formeel.

Bestraffend steekt professor Hans nu zijn vingertje op, even lijkt hij bijna streng, maar het blijft allemaal heel informeel hoor. Toch komen de liefhebbers van Hoge Kunst in zijn oratie ten tonele als een tamelijk miezerig stelletje grijsharige naarlingen. Ze staren zich blind op allerlei detailnuances en halen hun neus op voor echt innovatieve benaderingen van het oude spul, zoals een lekker verpopte Mozart Veertig (Waldo de los Rios, weet u nog, dat was toch hartstikke leuk?), of Jan Rot die aan de haal gaat met Schubert. Van commercie moeten ze ook al niets hebben, ze graaien liever in de subsidiepot. Weg met die subsidies, dan komen ze wel in beweging, die ingedutte klassiekzitters!

In al zijn bevlogenheid en zijn hang om zijn 62 jaren ten spijt gewoon jong, snel en wild te blijven vergeet Abbing één kleinigheidje. Namelijk dat het gewaar worden van de schier onuitputtelijke gevoelsrijkdom in de grote werken van de negentiende en twintigste eeuw verregaand onmogelijk wordt wanneer jan en alleman steeds de zaal in- en uitwandelt, gaat zitten kletsen of telefoneren, meetikt en -neuriet en nog zo meer. Als de technohouse je met 300 decibel om de oren stampt is dat allemaal geen probleem, maar bij Beethovens Heiliger Dankgesang kan dat gewoon niet. Punt uit. Om Das Lied von der Erde te kunnen ervaren is stilte een noodzaak, niet een curieus soort willekeurige, formele aberratie. Het is niet toevallig dat de ons bekende luisteretiquette ontstond in de laat-klassieke en romantische periode, toen werken steeds rijker werden aan uitdrukkingskracht en klanknuances, en het karakter van vertier op de achtergrond verloren.

Wat Abbing ook vergeet is dat zijn filosofie linea recta uitmondt in de eenheidsbrij van de grootste gemene deler. Hoe funest de markt uitpakt zien we van het treinstation tot de gezondheidszorg en van de postbezorging tot het bankwezen. Het is inmiddels echt van gisteren om te denken dat marktwerking ons aller heil gaat brengen. Dat wat de meerderheid aanspreekt, waar de meerderheid voor wil betalen, valt niet automatisch samen met dat wat waarde heeft. Zap maar eens langs de commerciëlen en u weet wat ik bedoel.

Ah, maar daar zit de angel. Abbing gelooft niet in ‘hogere waarden’. Kunst is ‘waarden-loos’, alleen in de omgang van mensen ermee krijgt zij betekenis. Ja, natuurlijk. Maar moeten we daarom Beethoven afbreken tot een schaduw van zichzelf zodat misschien een paar puistige adolescenten kunnen worden bewogen hem hapklaar naar binnen te schrokken? Moeten daarom alle partituren door de versnipperaar tot ze uiteengevallen zijn in deeltjes klein genoeg om, uiteraard audiovisueel ondersteund, in allerlei kleine geestjes te passen? Het is de triomf van het geïnstitutionaliseerde narcisme, waarbij het ondenkbaar geworden is dat er dingen bestaan die groter zijn dan en uitstijgen boven het eigen, stampvoetende ik - dingen waarvoor het misschien wel de moeite waard is eens een uur stil te zitten en je grote mond te houden.

zaterdag 11 oktober 2008

Gevallen engel

Als doorgewinterde atheïst kan ik nochtans sommige randverschijnselen van religie, zoals de Messiah, de kathedraal van Den Bosch en vrij met Kerstmis, best waarderen, maar religie als maatschappelijk fenomeen boezemt me vooral weerzin in. Waarom zou je je gezond verstand op de tocht zetten door maar zo’n beetje te gaan zitten geloven in dingen die je niet kunt zien en niet kunt horen en ook niet anderszins kunt verifiëren, maar die er misschien toch zouden kunnen zijn? En daar dan ook nog eens anderen meer lastig vallen? Onzichtbare dingen die er misschien zouden kunnen zijn zijn er talloze, zoveel als je verzinnen kunt om precies te zijn – ik word al moe als ik eraan denk. In heel veel van die dingen gelooft bijna geen mens, en waarom zou je dan voor één bepaald onzichtbaar, onhoorbaar, onverifieerbaar ding een uitzondering maken? En daar anderen mee lastig vallen? Omdat het in een oud boek staat? Kom zeg, de sprookjes van Grimm gaan ook alweer een tijdje mee, en toch is het aantal volgelingen van Repelsteeltje nog steeds erg beperkt.

Richard Dawkins denkt er net zo over, maar dan erger. Toch bleek lezing van zijn boek The god delusion, in het Nederlands vertaald onder de zo ontzettend foute titel God als misvatting, een verdeeld genoegen. Want Dawkins is helaas met enige regelmaat het soort vriend dat je zelfs je dierbaarste vijanden niet zou toewensen. In The God delusion trekt hij met onverholen woede en luie kort-door-de-bocht redeneringen van leer tegen de gelovigen. Gematigden en fundamentalisten worden zonder pardon op één hoop geveegd en de beledigingen vliegen in het rond. Aan literatuurverwijzing doet Dawkins evenmin als aan zelfbeheersing. Zo maakt hij zichzelf wel een heel gemakkelijke prooi voor zijn opponenten. Die hebben inmiddels dan ook de markt bestormd met weeïge tegentraktaatjes die vooral uitblinken in superieur-zelfgenoegzame kalmte, zodat de kippendrift van Dawkins nog eens extra scherp in reliëf komt te staan. Een bijzonder maagomkerend specimen is een frutsel van John Cornwell, getiteld Darwin’s Angel.

Cornwell is een katholiek van het type Verloren Zoon, die na twintig jaar van dwaling terugkeerde in de moederschoot van de Kerk. Dan weet je al genoeg – we hebben hier van doen met een wanhopeling die het zonder de troost van de Here niet af kon. Zijn traktaatje is in een kokette briefvorm gegoten, een brief van Dawkins’ bezorgde beschermengel aan Dawkins zelf. Het is een glibberig-handig geschreven boekje, dat zelfs een paar vilein-komische vlagen van humor bevat, zodat de lezer maar al te gemakkelijk uit het oog verliest hoe de schrijver als een behendig skiër om de werkelijke kernvragen heen slalomt. Cornwell vangt Dawkins honderd vliegen af, meer dan eens terecht, maar kijkt er zelf wel voor uit om ook maar één helder standpunt in te nemen en gaat nergens in op de uitdagende stelling die de kern is van The god delusion: dat er voor de goddelijke waarheid die gelovigen poneren geen greintje bewijs is en dat god niet meer is dan een potentieel gevaarlijke waanvoorstelling.

Het wierookgordijn dat Cornwell optrekt walmt al geurig uit op de eerste paar bladzijden. Met adembenemende hypocrisie plaatst hij religie op één lijn met kunst, muziek en poëzie – net als die uitingsvormen, en net als wetenschap zelf, is religie toch immers een manier om het alledaagse te verbinden met het mystieke en transcendente; een daad van verbeelding? (Merk op hoe de misleidende suggestie wordt geplaatst dat het transcendente iets is wat buiten onze hoofden bestaat). Dawkins, concludeert Cornwell, is gewoon bang voor de verbeelding. Bovendien, zo voegt hij toe, zijn de meeste gelovigen veel nuchterder en verstandiger dan Dawkins het voorstelt. ‘Sensible believers’ accepteren Darwins natuurlijke selectie en geloven niet letterlijk in het scheppingsverhaal. Hier begint een betooglijn die uiteindelijk zal eindigen in Cornwells lachwekkende poging om god te omschrijven: god is de gedachte-zonder-brein die aan het begin van alle dingen staat.

Dat zal wel. Toch vermoed ik dat de gelovigen op de Veluwe, de pelgrims in Mekka en de MacCainstemmers in de VS een beetje moeite hebben zich te herkennen in zo’n intellectuele woordgrap die op de keper beschouwd volkomen betekenisloos is, eigenlijk alleen maar een herhaling van de vraag. In de moderne tijd is god vaak een god-van-de-gaten, teruggedrongen in die lege hoekjes en nissen die de wetenschap nog niet met antwoorden heeft kunnen stofferen; Cornwell drijft hem voor de zekerheid nog wat verder terug, tot in de ultieme lege ruimte waar de wetenschap hem waarschijnlijk nooit zal inhalen, die van de vraag hoe het allemaal begonnen is. Daar huist Cornwells god, de Begingedachte, de Onverklaarde Verklaring die de reden is dat onze natuurwetten allemaal zo prachtig kloppen dat het huidige heelal en de mensheid kunnen bestaan. Het wordt vanuit die duizelingwekkend cerebrale en ijzingwekkend ver in de tijd verwijderde abstractie echter wel een heel grote sprong naar de zoetsappige Jezus die hij aan het eind van zijn boekje toch ook nog graag ten tonele voert; een ongerijmdheid die hij zelf niet lijkt op te merken. Hij drijft liever de spot met Dawkins’ beeld van de Grote Pappa in de Hemel, maar ik durf er iets om te verwedden dat Dawkins aanzienlijk dichter staat bij de voorstellingen van de gemiddelde, niet theologisch onderlegde gelovige dan Cornwell. Cornwell is gewoon een draaikont die zich in een enorme, mystificerende woordenbrij los probeert te wurmen uit de klemmende vragen van de wetenschap en haastig de benen neemt naar de uithoek waar de wetenschap ophoudt; al hollende struikelt hij regelmatig over de weelderige rokken van zijn pseudodiepzinnigheden, en graait hij naar strohalmen om niet helemaal om te vallen.

Weinig gelovigen zullen beamen dat ze god zien als ‘de hersenloze Idee aan het begin van het Universum’, en evenmin zullen velen hun geloof zien als louter beeldspraak, een symbolische verbeeldingsdaad die uitwisselbaar is met Shakespeare, Beethoven of Grunberg. Nou ja, misschien sowieso niet met Grunberg. Cornwell gaat volledig voorbij aan de waarheidsclaims die in elke religie ingebakken zitten en die in meer of mindere mate door alle gelovigen onderschreven worden – hemzelf incluis, want god is de basale premisse die hij nergens in zijn boekje loslaat, die als een toenemend irriterende dreun onder al zijn zinnen voortstampt. Zoals Dawkins terecht constateert beweren religies dat ze iets zeggen over de werkelijkheid; ze verkondigen geen literaire, maar letterlijke waarheden en begeven zich daarmee op het terrein van de wetenschap. Trouwens, als het echt waar is dat de meeste gelovigen hun geloof alleen maar zien als een artistieke metafoor, een vrije en dus uitwisselbare verbeeldingsdaad, hoe komen we dan aan confessionele regeringspartijen? We hebben toch ook geen partij die het rustieke landleven wil bevorderen op grond van Beethovens Pastorale? En terwijl kunstwerken wel worden gecensureerd vanwege religieuze gevoeligheden hebben we het nog niet meegemaakt dat de kas van de Pinkstergemeente in beslag werd genomen omdat Shakespeare zei dat ‘gold, this yellow slave, will knit and break religions’. Religie is geen daad van verbeelding maar een onderdrukker van verbeelding en meer nog een symptoom van gebrek aan verbeelding.

Het woord atheïst valt in Cornwells traktaat voor het eerst op pagina 14, met een briljante retorische coup-de-théâtre, want het verschijnt meteen in één zin met de naam Stalin. Natuurlijk komt hij er verderop op terug, op dat leugenachtige theïstische stokpaardje over hoe Stalin, Hitler en Mao bewijzen dat atheïsme in combinatie met wetenschap heel gevaarlijk kan zijn. Met kenmerkende hypocrisie laat Cornwell eerst dit statement vallen, zodat het zijn effect kan hebben voordat hij er een beetje op gaat afdingen, want hij weet natuurlijk ook wel dat Hitlers rassenleer met wetenschap helemaal niets van doen had. Het belangrijkste vergeet hij echter, namelijk dat Hitler, Stalin en Mao beslist geen atheïsten waren. Ze waren fanatieke exponenten van een alomvattende staatsreligie, inclusief onverzettelijke dogma’s, massale gebedsbijeenkomsten, bedevaartsoorden, onfeilbare leiders en heilige boeken. Inclusief ook de typisch religieuze onderdrukking van de verbeelding. Hun vervolging van allerlei religieuze groeperingen was geen onderdrukking van gelovigen door atheïsten maar de zoveelste strijd van de ene religie tegen de andere; zij onderscheidde zich in niets van de middeleeuwse strijd die de christenen tegen de muselmannen voerden, of de katholieken tegen de protestanten.

Het is amusant Cornwell onderweg te betrappen op de nodige pot-en-ketelmomenten. Hij verwijt Dawkins dat hij verzuimd heeft de bijbel en de grote theologen uitputtend te bestuderen, en dat zijn bronnen voornamelijk bestaan uit dichters en romanschrijvers. Om zijn eigen boekje vervolgens te larderen met talloze citaten – van dichters. Hij bespot Dawkins om zijn opwinding over een geval van religieuze moord op een Inca-meisje, dat immers ‘al 500 jaar geleden is’, maar verwijt hem dat hij geen diepgravende studie heeft gemaakt van een boek dat nog meer dan 1000 jaar ouder is. Hij beschuldigt Dawkins van ‘provincialisme’ omdat hij vrijwel alleen over het christendom schrijft, en schrijft vervolgens zelf alleen maar over het christendom.

Naarmate het boekje vordert komt Cornwells reactionaire agenda duidelijker in beeld en wordt de toon steeds meer die van een zalvende preek. Christus’ voorbeeld van alomvattende liefde wordt in fondantkleurtjes neergepenseeld, waarbij de boodschapper-engel gemakshalve maar even vergeet dat christenen zich veelal als het tegendeel van dat voorbeeld gedragen hebben en nog gedragen: Jezus’ wijze lessen worden, net als die van Mohammed en nog zo wat lichtende voorbeelden, vooral gebruikt om discriminatie en vrijheidsbeknotting te propageren en irrationele angsten te voeden. Dat het god is die ijdelheid en egoïsme temt is een al even onzinnige bewering: je hoeft maar één EO-programma te bekijken om te weten dat god het vehikel bij uitstek is voor egoïsme – jij bent zo uniek en bijzonder dat het almachtige opperwezen zich persoonlijk om je bekommert; en Cornwells boekje zelf is het bewijs dat ijdelheid niet verdwijnt onder gods alziend oog, maar er juist tot welige (en wollige) bloei kan komen.