Posts tonen met het label Leven en dood. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Leven en dood. Alle posts tonen

maandag 22 februari 2010

Serendipiteit

Vroeger komt vaak op mijn pad dezer dagen. Het is net alsof, nu de toekomst onzeker is geworden (of nee, niet onzeker is geworden, maar nu de enige zekerheid die de toekomst biedt plotseling zoveel dichterbij gekomen is), het verleden daarvoor in de plaats treedt. De ruimte vooruit is klein geworden, maar die naar achter opent zich. Een paar avonden geleden kwam het er zo van dat ik weer eens celloduetten speelde die ik sinds mijn beginjaren op het instrument niet meer onder ogen had gehad. Reinagle. Een weekend eerder speelde ik met mijn nichtje van tweeëneenhalf met oude plastic bouwstenen die ooit de eerste aanzetten voor mijn architectuurtic moeten hebben gegeven toen ik niet veel ouder was dan zij nu is, en die ik sedert niet meer gezien had. Op andere momenten dient het voorbije zich onverwachter aan, via een keten van toevalligheden die dan achteraf helemaal niet toevallig lijken. Serendipiteit heet dat geloof ik.

Gistermiddag zag ik A Single Man, een mooie, stille, verdrietige film die me nieuwsgierig maakte naar het boek. Daar loonde zich jarenlange verzamelwoede, want dat boek stond zowaar thuis in de kast. ’s Avonds op de bank gekropen met Isherwoods novelle, die nog stiller, nog verdrietiger is dan de film, en mooier ook, voor zover zulke uiteenlopende genres te vergelijken zijn. Leven en dood, ouder worden, het onverbiddelijke tikken van de klok, daar gaat het over, maar op de meest intieme, alledaags denkbare manier – de laatste dag uit een mensenleven.

But now isn't simply now. Now is also a cold reminder: one whole day later than yesterday, one year later than last year. Every now is labeled with its date, rendering all past nows obsolete, until - later or sooner - perhaps - no, not perhaps - quite certainly: it will come.
Op pagina 62 probeert George Falconer, de single man uit de titel, zijn klas te interesseren voor Huxley - After many a summer. Laat ik nou ook ooit een Huxley fase hebben gehad… Nog een duik in de kast levert een oud, zesdehands hardcovertje op, in een antiquariaat aangeschaft in de jaren dat ik nog geen geld had voor nieuw, en nog niet wist dat Huxley niet mijn ding is. Ex Libris J.L.W van de Haas (houtsnede van een haas die tegen een stralende achtergrond voor een opengeslagen boek zit). Een vreemde roman, After many a summer; over een rijkaard die eeuwig wil leven, en niet tot het inzicht kan komen dat er waardevollere, meer wenselijke dingen zijn, dat eeuwig leven misschien zelfs wel iets heel gruwelijks is.

En daar gaat dat gedicht van Tennyson dan weer over, waar de titel van het boek aan ontleend is. Tithonus, ooit de schone minnaar van de Dageraad, kreeg van Zeus het eeuwige leven kado, omdat de oppergod wat goed te maken had met Aurora. Nu smeekt hij de goden dag na dag om hun geschenk terug te nemen, maar tevergeefs. (Hij heeft overigens minder bezwaar tegen de onsterfelijkheid dan tegen het feit dat die niet gepaard gaat met eeuwige jeugd - wat dat betreft waren de Grieken en hun helden heerlijk aards). Ik sla Huxley open op zoek naar het Tennyson-citaat. Een geplastificeerd roze kaartje valt op mijn schoot vanachter het omslag. Een oude studentenkaart, 1990-1991. Studentnummer 8525196. Een twintig jaar jongere zwart-wit versie van mezelf kijkt me aan. Als je die rare bril wegdenkt was ik in die jaren lang zo lelijk niet als ik toen dacht. Op dezelfde pagina lees ik wat ik zocht.
The woods decay, the woods decay and fall,
The vapours weep their burthen to the ground,
Man comes and tills the field and lies beneath,
And after many a summer dies the swan.

maandag 30 november 2009

Oudheidkunde

Ellen Vogel (87) ontvangt de Blijvend Applaus prijs als waardering voor haar hele oeuvre. In München is het proces tegen John Demjanjuk (89) begonnen. Helmut Kohl (79), Mikhail Gorbatsjov (78) en George Bush senior (85) verzamelen zich in Berlijn om de val van de Muur te herdenken. Dries van Agt (78) fulmineert tegen Israël (bravo Dries!). Remco Campert (80) schrijft nog wekelijks zijn stukje in de Volkskrant. Queen Elizabeth (83) opent voor de zoveelste keer het Parlement en zakt nog steeds niet in elkaar onder het gewicht van de Engelse koningskroon. Oud BBC reiscorrespondent Alan Whicker (84) doet een deel van zijn eertijds, in de jaren '50, revolutionaire reisprogramma nog eens dunnetjes over in Hongkong. Hella Haasse (91) overweegt het schrijven van een nieuwe roman. Willem Aantjes (86) windt zich op over de koers van zijn CDA. Het Festival van Luzern verlengt het contract met Claudio Abbado (76) met vier jaar. Ook collega George Prêtre (85) is onverminderd in trek, al moet hij wel een beetje grinniken wanneer een concertorganisator hem voor 2011 probeert te boeken.

Zomaar een aantal mediamomenten die mij (42) de laatste tijd opvielen. Ik ben duidelijk een obsessie rijker.

dinsdag 22 september 2009

Off to see the wizard

Terwijl vandaag mijn laatste portie duur vergif naar binnen liep deed Oprah het eeuwige leven. Naast haar zat een enge man die gepresenteerd werd als Dr. Oz, om onverklaarbare redenen in een operatiepak gehuld, en met een grijns zo breed dat die ternauwernood tussen de armleuningen van zijn zetel paste. Een toonbeeld van het type stuiterende opgewektheid dat alleen verklaard kan worden door een forse overdosis voedingssupplementen, die de Doctor naar alle waarschijnlijkheid akelig voortijdig naar Oz zullen helpen door de aanmaak van een rare, nare tumor waarvan het bestaan nu nog door niemand wordt vermoed.

Het is, zo vertelde hij daarentegen echter, voor u en mij en iedereen een makkie om honderdvijftig jaar te worden (nou ja, voor mij misschien iets minder een makkie dan voor u). Minder eten, meer groenten, meer vis, et voilà! Nou lijkt het mij helemaal geen goed idee om met zijn allen hondervijftig te worden. Je wilt je niet eens voorstellen hoe de Zonnebloemboot er dan uit gaat zien – een tienbaks Zonnebloemduwboot. De wereld zal overwoekerd worden door bejaardensozen. Golfbanen en bridgeclubs raken zo verstopt dat bal noch kaart meer te bekennen zijn. Je kunt de voordeur niet meer uit of je moet invoegen in onafzienbare colonnes Nordic walkers. Trottoirs moeten worden verbreed met rollatorstroken, en wegen met scootmobielbanen. Over Marbella, Wenen, Engeland en Florida, ocharme, zwijg ik dan maar helemaal. Hoe moeten we dat allemaal gaan bolwerken in een wereld waar een verhoging van de AOW-leeftijd met een schamele twee jaar al een parlementair steigerpunt is? De AOW-leeftijd moet naar honderdvijftien jaar als Dr. Oz zo door gaat!

Maar dat zal Oprah een zorg zijn. Zij beperkt haar gravende analyse tot een doorleefd ‘Oh wow’, en schakelt ons door naar David Murdock, een vijfentachtigjarige miljardair met het zelfde stuitersyndroom als Dr. Oz. David weet zeker dat hij de honderdvijfentwintig gaat halen. Je ziet zijn oogjes flonkeren van pret bij de gedachte aan al zijn dierbare, popelende erfgenamen, die hij nog eens veertig jaar lang gaat onderhouden met zijn welbekende, feestfnuikende anekdotes over hoe hij het van zes cent naar multipele miljarden heeft geschopt - een tranentrekkend langdradige geschiedenis die niet per se aan glans wint door de ingelaste uitweidingen over zijn gezonde leefstijl, zijn groenteshakes en zijn push-ups (nee David, push-ups doe je met een rechte rug, vanuit de armen) en al die andere weerzinwekkend jeugdige bezigheden waardoor hij, godbetert, almaar niet dood gaat. Het is maar goed dat het verkeer ook gevaarlijk is.

Voor de bijdetijdse eeuweling in spe zijn natuurlijk prachtige high tech voorzieningen voorhanden, zoals de denkende plee die in Japan al helemaal de rigueur is ('Oh wow!'). Analyseert wat u plast terwijl u nog sast. Ieder spoortje eiwit, suiker en bloed wordt feilloos gedetecteerd zodat u zich, het papier nog aan de billen, direct in gillende paniek naar de dokter kunt spoeden, want o hemel, ik heb foutgepiest en ik ben toch pas achtennegentig! Daar zal de huisarts blij mee zijn, die ook nu al negentig procent van zijn tijd ziet opgaan aan zeurkousen, hypochonders en aandachtsbehoeftigen. Maar de implicaties van dit soort voorzieningen stemmen Oprah wederom tot weinig diepere gedachten, laat staan tot zorgen – zij houdt het bij haar beproefde ‘Oh wow!’.

Ik heb tijdig afgeschakeld, het werd me wat grijs voor mijn ogen.

dinsdag 25 augustus 2009

Maansverduistering

Kijk nou, ik hoefde niet eens lang stilletjes te dromen, hier komt ie al: het kan ook eens meevallen.

De boze maan is een halve maan geworden, en van het omringende firmament zijn de nodige sterren naar beneden getuimeld. Allemaal met dank aan mijn dierbare, zij het dure vrienden Paclitaxel, Carboplatin en Bevacizumab.

vrijdag 17 juli 2009

Temps perdu

Tijd is raar. Ik weet niet of u daar ooit over nadenkt. Zelf deed ik dat voorheen niet zo vaak, behalve als ik eens een keer een populair wetenschappelijk boekje las van een natuurkundige die zich in de eigenaardigheden van het fenomeen had verdiept. Die legde dan uit dat het niet zomaar vanzelfsprekend is dat tijd voortschrijdt, dat er een gisteren, een morgen en een nu is; - en ook hoe vreemd dat nu is, een ondeelbaar moment tussen dat wat is geweest en dat wat komt en toch altijd het enige moment waarin we bestaan.

Voorheen leefde ik ook zo, net als volgens mij iedereen, in dat ondeelbare, voortschuivende moment, zonder een seconde te bedenken dat de voorraad van die momenten in een mensenleven eindig is. (Hoewel, als dat moment daadwerkelijk ondeelbaar is moet de voorraad ervan eigenlijk oneindig zijn, toch?). Natuurlijk waaierden de gedachten soms wel eens uit de naar de toekomst. Een enkele keer probeerde ik me mezelf als zeventigjarige voor te stellen, en dacht dan dat dat misschien allemaal helemaal niet zo leuk zou zijn, met al die wankelende pensioenfondsen en epidemische vergrijzing, om over vervuiling en overbevolking en een uitdunnende vriendenkring maar te zwijgen. En soms, heel soms, als ik een ver jaartal zag passeren, op het Journaal of zo, flitste het wel eens door mijn hoofd, “zou ik er dan nog zijn?” Dat kwam van thuis, van vroeger, uit een verleden waar al te gemakkelijk op rampspoed werd geanticipeerd, en elk plan voor de toekomst werd bezworen met de formule “als we de tijd beleven.”

Maar vaak ging de blik vooruit niet verder dan de volgende geplande reis, en veel vaker nog ging het hooguit over vanavond, morgen of komend weekend. Ondertussen lag ik dan rustig weer een zaterdag verveeld met het zaptoestel in de hand, tijd te vermorsen alsof ik alle tijd had.

“Carpe diem!” schrijven goedbedoelende mensen op lieve kaartjes. Maar het is een beetje jammer en ook wat contraproductief dat juist nu, nu de vanzelfsprekendheid van zeeën van tijd me ontnomen is, de geest telkens maar weer vooruit wil spoeden, naar volgende jaar of nog verder. En dan is het plukken van de dag niet gemakkelijk, want werkelijk genieten van dingen kan alleen vanuit een rust en onbevangenheid, geboren uit die illusie van eindeloze tijd waar we allemaal, altijd, even onterecht in leven. Het vergt nogal een inspanning die illusie nieuw leven in te blazen nu er in mijn provisiekast potjes appelmoes staan die met een beetje pech een langere houdbaarheidstermijn hebben dan ikzelf.

En toch is het er af en toe, nog steeds, onstuitbaar. Ook de afgelopen, onmogelijke weken telden een paar van die momenten waar het leven alleen maar nu was: rozig van een halve liter Paulaner op een zonnig terras; Beethovens genadeloze zestiendenkabbelingen veroverend in de Szene am Bach; turend naar de hoge vlucht van de gierzwaluwen terwijl de eerste sterren in de avond prikken. Een overdadige pluk is het niet, maar wel een kostbare.

dinsdag 14 juli 2009

Berylliose

Boos was ik nog niet. Maar gisteren werd ik het een beetje. Dat kwam omdat ik bij de BBC belandde in een documentaire getiteld Beryl’s last year. Een jaar lang werd schrijfster Beryl Bainbridge met de camera gevolgd door haar kleinzoon. Zij was er namelijk stellig van overtuigd dat dat jaar, haar 71ste, haar laatste zou zijn: haar beide ouders en negen andere familieleden stierven op die leeftijd. Met groot gebaar zien we Beryl beginnen aan haar laatste roman, en ook overigens doet ze haar best levenswijsheden en anderszins te debiteren om het drama van haar laatste jaar het gewenste cachet te geven.

Op zeker moment vertrekt ze naar Schotland, omdat een reis in de geest naar haar mening het beste gaat als tegelijk een echte reis wordt gemaakt. We zien Beryl mijmerend uit het raam van de trein staren terwijl ze herinneringen ophaalt aan een text-editor met wie ze veel heeft gewerkt. “I hear she has lung cancer. That shocked me. I suppose she’ll probably die quite soon – there’s not much of a cure for lung cancer, I think.” Met een doorleefde frons beschouwt ze de voorbij spoedende lowlands, terwijl ze een diepe haal neemt van haar sigaret.

Beryl Bainbridge is inmiddels vierenzeventig jaar and still going strong.

zaterdag 4 juli 2009

Paard & Ziek

Een zonnige ochtend aan het begin van een mooie week. Blauwe hemel, zachte wolkjes, blije vogels, even een sprintje trekken om niet door de terreinsproeiers te worden geraakt – wat doet op zo’n ochtend die zeurende ongerustheid in je buik? Toen ik het gebouw binnenkwam tikte de receptionist op zijn raam. “Er heeft een huisarts voor je gebeld.” Meer niet, maar ineens werd de wereld heel klein en heel stil en veranderde de zeurende ongerustheid in een wild fladderende, gekooide vogel. Mijn huisarts was net een uur aan het werk na zijn vakantie.

Achteraf lijkt alles geladen met betekenissen. Dat de huisartspraktijk van de waarnemer, waar ik me dan toch maar eens meldde met dat hardnekkige kuchje, gevestigd was in de voormalige kapel van een verzorgingstehuis, het kruis nog op de buitenmuur. Dat ik moest wachten voor een rouwstoet toen ik terugkwam van de röntgenfoto.

Een week later, na dagen waarin heel aardige mensen onnoemelijke dingen hebben gedaan met mijn lijf, zit ik in een klein wit kamertje, samen met lieve W. zonder wie ik die week niet had kunnen doorstaan. Aan de dokter tegenover ons is ook alles wit, zijn jas, zijn haar, zijn tanden, zijn huid, zelfs zijn ogen, bijna, die zijn heel helder blauw. Een engel, maar van wat? Hij zegt de dingen waar je anderen wel eens over gehoord hebt en die dan bijna erger lijken dan wanneer het over jezelf gaat, maar dat komt misschien omdat het een stuk gemakkelijker is sommige dingen tot je te laten doordringen als ze niet over jezelf gaan. Hij zegt ze rustig, leidt me met zachte hand zodat ik zelf de pijnlijkste conclusies uitspreek, niet hij. De verpleegkundige naast hem heeft tranen in haar ogen. Dat lijkt me niet goed. Op het beeldscherm kom ik in plakjes voorbij. Daar zijn mijn longen. Een firmament met een grote, slechte maan en verder bezaaid met boze sterren, genoeg voor een melkweg.

Niet alles wordt me afgenomen. Er is sprake van ‘knokken’, van ‘jaren’, van Lance Armstrong zelfs. De kanker gedraagt zich merkwaardig netjes, de dokter snapt het ook niet goed, door zich breeduit te huisvesten in mijn longen maar nergens anders. Ik haal diep adem en ben verbaasd dat ik dat nog steeds kan.

Buiten is de wereld alleen maar warmer en zonniger geworden, en doen mensen in korte broeken en zomerjurken alsof het leven de gewoonste zaak van de wereld is, alsof het niet morgen hun beurt kan zijn. In de supermarkt is het koel en is alles als altijd. Als ik buiten kom regent het, bij dertig graden, en slaat de stoom uit de stad. Zachtjes rommelt de donder, de hemel weet niet meer of ze klaar of dreigend wil zijn. Gierend van het lachen rent een mevrouw voorbij op klepperende slippers, “…en ik heb mijn computer buiten laten staan!”

Ik ben rustig. De angst is erger dan het weten. Vandaag is een dag, aan morgen denk ik niet, en overmorgen – ach, overmorgen is ver weg. Iedereen is ontzettend lief, en daar moet ik meer van huilen dan van de ziekte, die geen tranen verdient, alleen maar een daverend chemisch bombardement. Tot alle sterren vallende sterren zijn geworden of koude, zwarte dwergen.

Op mijn toilet hangt de poëzie scheurkalender, die me sinds begin dit jaar heeft geleerd dat ik moderne Nederlandse poëzie over de grote linie onzinnig gebazel vind, of puberale leukdoenerij, of pretentieuze bombast. Allemaal amechtige pogingen om taal muziek te laten zijn, wat natuurlijk niet kan. Het gedicht van de dag lees ik steeds pas de dag erna, omdat ik ’s morgens, zonder bril op het gemak gezeten te ver van de kalender ben om de woorden te kunnen ontcijferen – dat kan dus pas als ik het blad afscheur. Dinsdag, toen ik eigenlijk al wist wat ik nog niet wist, las ik een gedicht van Mark Strand dat de kalender zijn aanschafprijs toch nog waard maakte. Nou is Strand ook geen Nederlandse dichter, dus ik heb snel het origineel opgezocht dat zoveel beter is nog dan de brokkelige vertaling:

IN CELEBRATION

You sit in a chair, touched by nothing, feeling
the old self become the older self, imagining
only the patience of water, the boredom of stone.
You think that silence is the extra page,
you think that nothing is good or bad, not even
the darkness that fills the house while you sit watching
it happen. You’ve seen it happen before. Your friends
move past the window, their faces soiled with regret.
You want to wave but cannot raise your hand.
You sit in a chair. You turn to the nightshade spreading
a poisonous net around the house. You taste
the honey of absence. It is the same wherever
you are, the same if the voice rots before
the body, or the body rots before the voice.
You know that desire leads only to sorrow, that sorrow
leads to achievement which leads to emptiness.
You know that this is different, that this
is the celebration, the only celebration,
that by giving yourself over to nothing,
you shall be healed. You know there is joy in feeling
your lungs prepare themselves for an ashen future,
so you wait, you stare and you wait, and the dust settles
and the miraculous hours of childhood wander in darkness.

donderdag 21 augustus 2008

Op en neer

Volgende week moet ik een paar dagen naar de Russische exclave Kaliningrad. Daar ga ik naartoe vliegen, en vliegen, daar houd ik niet echt van. Fobische vormen heeft het nooit aangenomen, ik slaap er niet slechter van en ben er nooit voor thuis gebleven, maar evenmin ben ik geloof ik ooit in een vliegtuig gestapt zonder ergens in een stiekem hoekje van mijn achterhoofd de melancholische overtuiging dat mijn laatste uur geslagen heeft. Stewardess, uitvaartverzorgster, wie zal het zeggen, ze glimlachen allebei vriendelijk en dragen het zelfde soort uniformen, met van die onhandige schoenen, kokette hoedjes en kekke sjaaltjes. Ik kan het me ook allemaal veel te levendig voorstellen. Er zijn bij vliegrampen maar twee opties, die beide niet uitblinken in aantrekkelijkheid: het gebeurt vlak bij de grond en je bent levend barbecuevlees; of het gebeurt hoog in de lucht en je hebt minutenlang tuimelend de tijd je te verheugen op de finale smak terwijl de drankjes, taxfree winkelwaren en medepassagiers je om de ploppende oren buitelen.

De Voorzienigheid weet het en vindt het leuk me hier een beetje mee te plagen. Daarom is het al jaren traditie dat er in de week voordat ik ga vliegen ergens een toestel tegen de vlakte gaat. Madrid: QED. Dat zou allemaal tot daar aan toe zijn wanneer niet prompt in het kielzog van zo'n gebeurtenis de welbekende luchtvaartdeskundige met de bemoedigende naam Baksteen in de media zou verschijnen om me ook de troost van de statistiek nog te vergallen. Ik smacht naar de gebruikelijke boodschap dat thuis op een keukentrapje klimmen om de bovenkant van de afzuigkap af te stoffen vele malen gevaarlijker is dan vliegen; dat de kans van omkomen in een vliegtuigcrash tienmaal kleiner is dan de kans dat je gelijktijdig door de bliksem en een meteoriet getroffen wordt terwijl je met je Jackpotwinnende lot naar het Staatsloterijkantoor wandelt. Vergeet het maar. Het toestel in Madrid was van een type, aldus meneer Baksteen, dat een "normaal" (hij zei het echt) neerstortgemiddelde heeft. "Vergelijk het met de 737," zo vervolgde hij met een geniepig gekozen voorbeeld, want zo eentje mag ik volgende week in, "daar zijn er vijfduizend van gebouwd en honderdtwintig verongelukt."

Wablief!? Honderdtwintig van de vijfduizend!!? Dat is twee-en-een-half procent! TE VEEL INFORMATIE, censuur graag! Je kunt fatsoenlijke, nietsvermoedende kijkers toch zeker niet zomaar zonder waarschuwing aan dit soort feitelijke waarheden blootstellen!? Zelfs de haastige goedmaker dat het neerkomt op één rampgeval per drie miljoen vluchten klinkt ineens niet meer helemaal zo geruststellend. Niettemin ga ik volgende week met heroïsche doodsverachting gewoon naar Rusland vliegen, in de stille hoop dat betreffend toestel niet nummer 121 zal blijken te zijn, en geduldig de mantra herhalend dat 97,5% van de 737's gewoon op zijn ouwe dag netjes afgeschreven naar de schroothoop gaat. Mocht het anders uitpakken, dan leest u dat wel in de krant.

zondag 25 mei 2008

Memento mori

Geef het maar toe, u doet het ook: met morbide interesse door de overlijdensadvertenties snuffelen op zoek naar allerlei voortijdigs en dramatisch. Wat dat betreft kun je tegenwoordig in onze vormeloze en ontremde samenleving je hart ophalen. Het elementaire menselijke onvermogen om de dood te bevatten vindt bij gebrek aan traditionele kaders de meest unieke uitingsvormen. Daarvan is de jolige oude-jongens-krentenbrood-variant misschien wel de ergste, zoals ik ‘m ooit zag in een advertentie die vrienden hadden geplaatst voor een vroege dertiger die tijdens het bergbeklimmen was omgekomen: “Jaap is van de apenrots gevallen” – “Biertje?” hoor je het er al bijna achteraan galmen.

Gisteren zag ik er een die me intrigeerde. Het was eigenlijk niet eens een overlijdensadvertentie, het was een boodschap van een nabestaande aan wijlen zijn geliefde. Met uit piëteit gefingeerde namen (zo ben ik dan ook wel weer) luidde het bericht als volgt:

Waarom plaatst iemand zo’n bericht in de krant, vroeg ik me af. Het lijkt op het eerste gezicht weinig zinvol om ettelijke tientallen euro’s te investeren voor het stellen van een retorische vraag. “Weet je nog…?” Nee, dat weet Elize niet meer, zoveel lijkt me wel duidelijk. En als je de vraag al wilt stellen, waarom dan ik de krant? Stelt Herman zich voor dat Elize in het hiernamaals de Volkskrant leest? Zelf lijkt het me onwaarschijnlijk dat er na dit ondermaanse nog veel te beleven is – mocht het anders zijn, dan denk ik dat een advertentie in Trouw of het Reformatorisch Dagblad meer kans heeft aan gene zijde gelezen te worden dan een in de Volkskrant.
Maar misschien plaatst Herman die advertentie helemaal niet voor Elize, maar veeleer voor zichzelf. Om zich tegen beter weten in nog een beetje te koesteren in de illusie dat ze nog ergens is, dat hij haar nog iets vertellen kan. Veel mensen doen dat; als ik bij het graf van mijn vader sta betrap ik mezelf er ook op dat ik hem groet, en iets zeg over het weer en de bloemetjes en die rotvogel die op de steen heeft gepoept, en hem nog van alles meer aan het vertellen ben. Ook bij al die andere graven worden volgens mij hele epistels afgestoken, al is het maar in de hoofden van de achtergeblevenen. De gedachte dat onze dierbaren echt helemaal verdwijnen gaat er gewoon niet in, punt uit.

Als ik echter nog wat langer kijk, bekruipt me een onbehaaglijke derde mogelijkheid. Is dit niet gewoon theatraal gedrag? Zelfdramatisering? Het zit ‘m in die koket weggelaten hoofdletters van ‘weet’ en ‘mis’, in het schreefloze lettertype, en in die veel te lange rij puntjes. Heel welbewust en uitgekiend wordt een indruk van eenvoud gewekt, en van een onuitsprekelijke diepte in de door Magere Hein zo bruut kortgesloten relatie. Er is een beetje te goed over nagedacht al met al. Dit is Herman die tegen de wijde wereld zegt, ‘weten jullie wel hoe erg het is wat mij is gebeurd?’ Zoals dat gaat heeft een jaar later het leven tegen de bierkaai in toch zijn gewone gang weer hernomen, maar Herman is nog niet klaar om zijn grote tragedie los te laten; zoals het in deze tijd van geïnstitutionaliseerde zelfoverschatting hoort denkt hij dat niemand ooit iets ergers is gebeurd, en hij zal er voor zorgen dat de buitenwacht dat niet vergeet. Is dat het verhaal achter die advertentie, die door de weglating van eenduidige identificatie al bij voorbaat iets vagelijk schuldbewusts uitstraalt?

Ik weet het niet, natuurlijk, en in die laatste lezing denk ik misschien wel veel slechter van Herman dan hij verdient. Misschien zegt het vooral iets over mijn eigen afkeer van emotioneel exhibitionisme. In elk geval voel ik me beter thuis bij een vergelijkbaar bericht van een paar dagen eerder, waarin de dood werd gememoreerd van Adam Falkiewicz, een Poolse componist die vorig jaar mei een eind aan zijn leven maakte. Hij was net 27 jaar. Alleen maar een naam, geboorte- en sterfdata, en de vermelding van zijn beroep. Jong muzikaal talent in de kiem gesmoord, door zichzelf nog wel – het zweemt naar getroebleerde creativiteit en vochtige, negentiende-eeuwse zolderkamers in regenachtige noordelijke steden. Niet dat er veel negentiende-eeuws was aan de muziek die Falkiewicz schreef - behalve dan de teksten vol zwart en donker en wreedheid en mislukking. Die hadden voor oplettende dierbaren misschien een teken aan de wand moeten zijn...

Te laat. Voor Adam en voor Elize. RIP. En Herman: sterkte.