Vroeger komt vaak op mijn pad dezer dagen. Het is net alsof, nu de toekomst onzeker is geworden (of nee, niet onzeker is geworden, maar nu de enige zekerheid die de toekomst biedt plotseling zoveel dichterbij gekomen is), het verleden daarvoor in de plaats treedt. De ruimte vooruit is klein geworden, maar die naar achter opent zich. Een paar avonden geleden kwam het er zo van dat ik weer eens celloduetten speelde die ik sinds mijn beginjaren op het instrument niet meer onder ogen had gehad. Reinagle. Een weekend eerder speelde ik met mijn nichtje van tweeëneenhalf met oude plastic bouwstenen die ooit de eerste aanzetten voor mijn architectuurtic moeten hebben gegeven toen ik niet veel ouder was dan zij nu is, en die ik sedert niet meer gezien had. Op andere momenten dient het voorbije zich onverwachter aan, via een keten van toevalligheden die dan achteraf helemaal niet toevallig lijken. Serendipiteit heet dat geloof ik.
Gistermiddag zag ik A Single Man, een mooie, stille, verdrietige film die me nieuwsgierig maakte naar het boek. Daar loonde zich jarenlange verzamelwoede, want dat boek stond zowaar thuis in de kast. ’s Avonds op de bank gekropen met Isherwoods novelle, die nog stiller, nog verdrietiger is dan de film, en mooier ook, voor zover zulke uiteenlopende genres te vergelijken zijn. Leven en dood, ouder worden, het onverbiddelijke tikken van de klok, daar gaat het over, maar op de meest intieme, alledaags denkbare manier – de laatste dag uit een mensenleven.
But now isn't simply now. Now is also a cold reminder: one whole day later than yesterday, one year later than last year. Every now is labeled with its date, rendering all past nows obsolete, until - later or sooner - perhaps - no, not perhaps - quite certainly: it will come.Op pagina 62 probeert George Falconer, de single man uit de titel, zijn klas te interesseren voor Huxley - After many a summer. Laat ik nou ook ooit een Huxley fase hebben gehad… Nog een duik in de kast levert een oud, zesdehands hardcovertje op, in een antiquariaat aangeschaft in de jaren dat ik nog geen geld had voor nieuw, en nog niet wist dat Huxley niet mijn ding is. Ex Libris J.L.W van de Haas (houtsnede van een haas die tegen een stralende achtergrond voor een opengeslagen boek zit). Een vreemde roman, After many a summer; over een rijkaard die eeuwig wil leven, en niet tot het inzicht kan komen dat er waardevollere, meer wenselijke dingen zijn, dat eeuwig leven misschien zelfs wel iets heel gruwelijks is.
En daar gaat dat gedicht van Tennyson dan weer over, waar de titel van het boek aan ontleend is. Tithonus, ooit de schone minnaar van de Dageraad, kreeg van Zeus het eeuwige leven kado, omdat de oppergod wat goed te maken had met Aurora. Nu smeekt hij de goden dag na dag om hun geschenk terug te nemen, maar tevergeefs. (Hij heeft overigens minder bezwaar tegen de onsterfelijkheid dan tegen het feit dat die niet gepaard gaat met eeuwige jeugd - wat dat betreft waren de Grieken en hun helden heerlijk aards). Ik sla Huxley open op zoek naar het Tennyson-citaat. Een geplastificeerd roze kaartje valt op mijn schoot vanachter het omslag. Een oude studentenkaart, 1990-1991. Studentnummer 8525196. Een twintig jaar jongere zwart-wit versie van mezelf kijkt me aan. Als je die rare bril wegdenkt was ik in die jaren lang zo lelijk niet als ik toen dacht. Op dezelfde pagina lees ik wat ik zocht.
The woods decay, the woods decay and fall,
The vapours weep their burthen to the ground,
Man comes and tills the field and lies beneath,
And after many a summer dies the swan.
Zomaar een aantal mediamomenten die mij (42) de laatste tijd opvielen. Ik ben duidelijk een obsessie rijker.
Maar dat zal Oprah een zorg zijn. Zij beperkt haar gravende analyse tot een doorleefd ‘Oh wow’, en schakelt ons door naar David Murdock, een vijfentachtigjarige miljardair met het zelfde stuitersyndroom als Dr. Oz. David weet zeker dat hij de honderdvijfentwintig gaat halen. Je ziet zijn oogjes flonkeren van pret bij de gedachte aan al zijn dierbare, popelende erfgenamen, die hij nog eens veertig jaar lang gaat onderhouden met zijn welbekende, feestfnuikende anekdotes over hoe hij het van zes cent naar multipele miljarden heeft geschopt - een tranentrekkend langdradige geschiedenis die niet per se aan glans wint door de ingelaste uitweidingen over zijn gezonde leefstijl, zijn groenteshakes en zijn push-ups (nee David, push-ups doe je met een rechte rug, vanuit de armen) en al die andere weerzinwekkend jeugdige bezigheden waardoor hij, godbetert, almaar niet dood gaat. Het is maar goed dat het verkeer ook gevaarlijk is.
“Carpe diem!” schrijven goedbedoelende mensen op lieve kaartjes. Maar het is een beetje jammer en ook wat contraproductief dat juist nu, nu de vanzelfsprekendheid van zeeën van tijd me ontnomen is, de geest telkens maar weer vooruit wil spoeden, naar volgende jaar of nog verder. En dan is het plukken van de dag niet gemakkelijk, want werkelijk genieten van dingen kan alleen vanuit een rust en onbevangenheid, geboren uit die illusie van eindeloze tijd waar we allemaal, altijd, even onterecht in leven. Het vergt nogal een inspanning die illusie nieuw leven in te blazen nu er in mijn provisiekast potjes appelmoes staan die met een beetje pech een langere houdbaarheidstermijn hebben dan ikzelf.
Niet alles wordt me afgenomen. Er is sprake van ‘knokken’, van ‘jaren’, van Lance Armstrong zelfs. De kanker gedraagt zich merkwaardig netjes, de dokter snapt het ook niet goed, door zich breeduit te huisvesten in mijn longen maar nergens anders. Ik haal diep adem en ben verbaasd dat ik dat nog steeds kan.
Wablief!? Honderdtwintig van de vijfduizend!!? Dat is twee-en-een-half procent! TE VEEL INFORMATIE, censuur graag! Je kunt fatsoenlijke, nietsvermoedende kijkers toch zeker niet zomaar zonder waarschuwing aan dit soort feitelijke waarheden blootstellen!? Zelfs de haastige goedmaker dat het neerkomt op één rampgeval per drie miljoen vluchten klinkt ineens niet meer helemaal zo geruststellend. Niettemin ga ik volgende week met heroïsche doodsverachting gewoon naar Rusland vliegen, in de stille hoop dat betreffend toestel niet nummer 121 zal blijken te zijn, en geduldig de mantra herhalend dat 97,5% van de 737's gewoon op zijn ouwe dag netjes afgeschreven naar de schroothoop gaat. Mocht het anders uitpakken, dan leest u dat wel in de krant.
Waarom plaatst iemand zo’n bericht in de krant, vroeg ik me af. Het lijkt op het eerste gezicht weinig zinvol om ettelijke tientallen euro’s te investeren voor het stellen van een retorische vraag. “Weet je nog…?” Nee, dat weet Elize niet meer, zoveel lijkt me wel duidelijk. En als je de vraag al wilt stellen, waarom dan ik de krant? Stelt Herman zich voor dat Elize in het hiernamaals de Volkskrant leest? Zelf lijkt het me onwaarschijnlijk dat er na dit ondermaanse nog veel te beleven is – mocht het anders zijn, dan denk ik dat een advertentie in Trouw of het Reformatorisch Dagblad meer kans heeft aan gene zijde gelezen te worden dan een in de Volkskrant.