donderdag 15 april 2010

Toneelmeesters

De Week van de Hypocrisie ging meteen al flitsend van start toen ik in de kleine uurtjes van maandagochtend de slotbladzijden las van Annejet van der Zijls nieuwe Bernhard-biografie. Daarin stelt de schrijfster vast dat haar boek wel niet het laatste zal zijn over de stoute prins; – “al zou ik dat zijn nabestaanden gunnen,” voegt ze er meelevend aan toe. Mooie zet Annejet! Nog geen tijd gehad om je handen te wassen van de net volvoerde karaktermoord, en nu wens je de Oranjes ineens toe dat niet jan en alleman zulke nare boeken over hun familie zouden schrijven? Had je dat niet kunnen bedenken voordat je je pennetje aanscherpte en het flesje vitriool open draaide?

Maar haar goede start ten spijt werd Annejet rap ingehaald door de tweede man van het Vaticaan, ene Bertone. Die betoogde dat pedofilie niets met het celibaat te maken heeft, maar alles met homoseksualiteit. Dat was uitgebreid wetenschappelijk aangetoond, zo had hij horen zeggen. Je kunt zien dat zo’n kardinaal zich niet zo vaak met wetenschap inlaat, anders had hij wel geweten dat horenzeggen het als referentie over het algemeen niet zo goed doet. Maar wat hem recht geeft op een plaatsje in de Eregalerij der Hypocrieten is natuurlijk het wonderlijke feit dat hij als vertegenwoordiger van een instituut dat de empirie gewoonlijk aan zijn laars lapt, omdat daar nu eenmaal zoveel dingen uit blijken die het instituut niet passen, ineens naar de wetenschap grijpt wanneer het hem toevallig goed uit komt. Ik had het sterker gevonden als hij had gezegd dat zijn bijzondere inzichten in homoseksualiteit hem door de Heer waren ingefluisterd.

Ach, het is allemaal gepiel in de marge natuurlijk vergeleken bij het ragfijn spel van de man die hypocrisie tot een ware kunstvorm verheven heeft, onze eigen Peter R. de Vries. Peter R. liet stiekem opnamen maken van de tot levenslang veroordeelde kindermoordenaar Koos H., in zijn cel in de Vughter gevangenis. Die beelden, zo besliste de rechter, mochten niet worden uitgezonden, op straffe van een dwangsom van 15.000 euro. Da’s lachen – met zo’n sommetje dwing je Peter R. natuurlijk niet, en zijn kijkcijfergeile bazen bij SBS6 en Endemol nog veel minder. Dus lapte de rechtstbesnaarde man van Nederland het vonnis aan zijn laars en deed het lekker toch. Het grote maatschappelijke belang moest hier prevaleren boven de belangen van zo’n vieze vuile…, zo verklaarde Peter R. majestueus, hoewel niet zo erg duidelijk werd waarin dat belang dan gelegen was. Het aan de kaak stellen van dit soort misstanden, dat is voor Peter R. de hele raison d’être van zijn werk als misdaadverslaggever, lees ik in de krant. Maar hoe stel je misstanden nog aan de kaak, beste Peter, nu je zelf een misstand geworden bent?

zaterdag 3 april 2010

Symphonie Metronomique

Of het misschien een cadeautje was, informeerde de meneer in de CD-winkel. Altijd charmant, natuurlijk, om een dierbare te verblijden met zo’n luguber doosje. Maar nee. En ook anderszins blijkt, helaas, dat er weinig reden is om jezelf of anderen deze nieuwste Fantastique te schenken. Je zou wensen dat Van Immerseel iets van de gotische fantasie van de grafisch vormgever ook in de noten had weten te brengen, maar niets is minder waar: dit moet wel een van de meest vierkante, schoolmeesterlijke lezingen van dit werk zijn die ooit zijn verschenen. Frits van der Waa is onkundig van eerdere authentieke opnames van dit werk, en hij is oftewel heel goede maatjes met Van Immerseel, of leed bij het luisteren aan een vervelende oorverstopping - anders is moeilijk te begrijpen hoe hij ertoe kwam deze blindganger vijf sterren toe te kennen in de CD-rubriek van de Volkskrant.

In vastberaden, logge tempi gaat het heen. In de 39 maten waar in het eerste deel het idée fixe wordt gepresenteerd schrijft Berlioz vijf tempoveranderingen; Van Immerseel speelt er niet een. Zijn lezing is een constante, rare mengeling van dit soort blindelingse eigenwijsheid en een karakterloze letterlijkheid. Wanneer de complexe climax van hetzelfde deel arriveert staan alle noten prachtig op hun plek – wat goed te horen is omdat de opname heel mooi open is, veel beter dan de modderige ruigheid die de Beethovencyclus van dit team tot een verdeeld genoegen maakte. Maar het tempo is zo futloos en de sfeer zo bedaagd dat het resultaat voor je oren desintegreert – geen spoor van de randhysterische passie die wordt verbeeld.

In de balscène zijn minder builen te vallen, en natuurlijk, de spelers van Anima Eterna produceren prachtig geluid, al blijft het mijns inziens een vergissing de cornetpartij te spelen, die Berlioz als een weinig gelukkige gedachte achteraf aan de muziek toevoegde. Ook het schitterende derde deel komt niet al te slecht uit de verf. Maar dat de duistere majesteit van de Marche au Supplice en de ziedende gekte van de heksensabbat aan Van Immerseel niet besteed zijn, dat was na het eerste deel te verwachten. Alle noten zijn er, maar de geest is gevlogen. Zelfs de ophicléides, die ruig zouden moeten raspen en blèren, spelen keurig beleefd, en alleen wanneer aan het einde van de mars alle trommels uitbarsten klinkt de uitvoering één moment echt indrukwekkend.

Het zijn, tenslotte, ook weer heel salonfähige heksen die in het laatste deel een weinig duivels feest vieren. Strak in de maat. Van Immerseels academische droogheid culmineert hier in de curieuze keuze om in het Dies Irae af te zien van klokken, maar in plaats daarvan twee piano’s te gebruiken. Hij tovert ons een vreemde rekensom voor die moet aantonen dat de door Berlioz geschreven noten tweehonderd ton aan klokken zouden vergen, een praktische onmogelijkheid. Het is weer zo’n onbegrijpelijk moment van overauthentieke dwaling, want de partituur laat er geen twijfel over dat de drie C- en drie G-octaven die geschreven staan alleen voor die noodgevallen bedoeld zijn dat geen klokken kunnen worden ingezet en de piano stand-in is. Zijn er wel klokken, dan kan de dirigent kiezen welk octaaf hij wil spelen, en hebben we het dus over twee, niet zes stuks. Nu moet ik bekennen dat de twee Erards die hier dienst doen nog best een passend sinistere klank produceren. Maar toch: de keuze die Van Immerseel maakt lijkt op een goedkope truc om iets origineels te doen, en is tegelijk symptomatisch voor zijn onwil zich over te geven aan de geest van het werk.

Helemaal niet slecht gekozen al met al, de afbeelding op het doosje: het geraamte is er, maar er zit geen vlees op.

donderdag 1 april 2010

Hersenverlamming

Een paar avonden geleden zat bij Pauw zonder Witteman hoogleraar Cognitieve Neurowetenschap Victor Lamme van de UvA. Er was aan deze meneer weinig professoraals, overigens; Lamme bleek een jolige jongen die een carrière als cabaretier of schlagerzanger is misgelopen. Hij had dolle pret met de verschrikkelijke Inez Weski, bij wie de liefde voor het eigen stemgeluid is ontaard in een ernstige vorm van juridische Gilles de la Tourette. De mondhoeken van tafelgenoot Van Haersma-Buma zonken er nog lager van, en dat kon toch al bijna niet meer. Ook meneer Lamme was vlot van tong, zodat snel duidelijk werd dat wetenschap voor hem vooral een onuitputtelijke bron van hilarische oneliners is. “Balkenende doet pijn aan je brein,” dat soort thuis voorbereide en koppig doorgedrukte lammigheid. (Van H-B’s mondhoeken daalden nog verder). Of neem de titel van zijn recente boek, lekker uitdagend om voldoende mediabelangstelling te verzekeren: De vrije wil bestaat niet.

Het is een notie die populair is onder hersenwetenschappers. Kort geleden nog promoveerde aan de Erasmus Universiteit psychologe Ilse Nijs, die bij monde van de Volkskrant liet weten dat dikke mensen er ook allemaal niks aan kunnen doen – hun hersenen sturen nu eenmaal onbewust hun ongezonde eetgedrag aan.

Die stoute hersenen toch! Een paar maanden terug echter had mijn werkgever een leuk dagsymposium georganiseerd rond het thema hersenen en vrije wil. Daar sprak cognitiefilosoof Marc Slors, die zich discreet vrolijk maakte over dit neurofysiologisch zondebokdenken. Omdat we tegenwoordig iedereen door de scanner kunnen halen doen we dat te pas en te onpas. En verhip: dingen die mensen doen, zeggen en voelen blijken verband te houden met bepaalde activiteit in de hersenen.

Alsof we dat niet al lang wisten.

Àl ons gedrag houdt verband met activiteit in de hersenen, dat is geen nieuws. Wanneer een correlaat in het brein reden is om mensen van hun verantwoordelijkheid te ontslaan, dan zijn we allemaal, altijd ontoerekeningsvatbaar. Zo ver gaan we dus liever maar niet – zelfs, naar ik begrijp, meneer Lamme niet. Maar door terug te wijken voor dit ultieme materialisme (of is het cynisme?), en de verontschuldiging van de hersenen alleen in bepaalde situaties aan te voeren, belanden we, merkte Slors scherpzinnig op, in een ander probleem. Soms doen we kennelijk dingen zelf, en soms doen onze hersenen het. Dat is ouderwets dualistisch denken. Ons brein krijgt de zwarte piet toegespeeld wanneer ons gedrag ons niet bevalt. “Ik heb het niet gedaan, mijn hersenen hebben het gedaan.” Ik wil wel afvallen, maar mijn hersenen pakken elke keer weer die kroket. We zijn terug bij de goedwillende homunculus die wanhopig probeert een eigenwijze (en zondige) machine te besturen.

Hoogleraar strafrecht Ybo Buruma maakte het verhaal mooi af. Voor de rechtspraak is het helemaal niet interessant of de vrije wil wel of niet bestaat, zei hij. We postuleren hem gewoon, want we hebben hem nodig om recht te kunnen spreken. Kijk, dat lijkt mij nou een mooi voorbeeld van goed werkende, gezonde hersenen.