Posts tonen met het label Wetenschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Wetenschap. Alle posts tonen

zaterdag 4 december 2010

Herfstzwammen

De Volkskrant heeft het er maar druk mee om zijn nieuwe imago op te houden als clubblad van een theologische faculteit. Gelukkig heeft de redactie voor de editie van vandaag journalist Michiel Hegener bereid gevonden een zwabberend zwamverhaal over islam en godsdienstvrijheid over de volle breedte van twee pagina's uit te smeren. Voor zover er een touw aan vast te knopen is hangt zijn betoog van onzin en gemakkelijke algemeenheden aan elkaar en ik zou er dan ook geen gedachte aan vuil hebben gemaakt ware het niet dat hij een veelgehoorde drogreden over het materialisme in de strijd gooit, hoewel je hem zelden zo lui en rommelig geformuleerd ziet. Ik geef u Hegeners stijlbloempje liefst onversneden:

Menig materialist zal bestrijden dat materialisme een geloof is, maar het bewijs is eenvoudig. Dat hebben we te danken aan de niet aflatende ijver van de sceptici. Via verenigingen, tijdschriften, congressen en boeken bestrijden ze het idee dat er meer zou zijn tussen hemel en aarde. Steeds wanneer ze een paranormaal brandje proberen uit te trappen, bewijzen ze één ding met zekerheid: een bewijs voor het materialisme ontbreekt. Want anders konden ze kortheidshalve naar dat bewijs verwijzen, dan hoefden ze zich niet jaar in jaar uit in te spannen om aanwijzingen dat er meer is dan materie onderuit te halen, althans verdacht te maken. Materialisme is een geloof. Mogelijk is het zelfs een religie, met het kleinste deeltje als hoogste god.
Je moet het hem nageven, die laatste wending is mooi, je herkent de bedreven journalist. Met zo'n uitsmijter zou je bijna vergeten dat alles wat er boven staat een amalgaam is van moedwillige misrepresentatie, absurd simplisme, en zweverig vooroordeel. Het enige dat deze passsage bewijst is dat Hegener gelooft in 'meer', en een korte blik op zijn website leert snel genoeg dat hij graag de westerse wetenschap de les leest om ruimte te scheppen voor reïncarnatie en voor mensen die al mediterend zes jaar kunnen overleven zonder voedsel en water (kijk onder 'Links'). De desbetreffende verhalen maken ook duidelijk dat enige scepsis Hegener zelf vreemd is, en dat hij weinig kaas gegeten heeft van statistische spreiding, de valkuilen van anekdotische bewijsvoering, en de algehele onbetrouwbaarheid van YouTube en commerciële TV-zenders als bron van objectieve kennis.

"Een bewijs voor het materialisme ontbreekt." We moeten Hegener maar vergeven dat hij in zijn missionaire bevlogenheid taalkundig het spoor wat bijster raakt. Als we hem letterlijk nemen spreekt hij zichzelf immers tegen. Hij heeft net geconstateerd dat er materialisten bestaan, dus daarmee is het bestaan van materialisme bewezen. Maar we kunnen vermoeden dat hij eigenlijk bedoelt dat een bewijs voor de louter materiële aard van de werkelijkheid ontbreekt. Hij zegt er niet bij waarom er maar één bewijs zou moeten zijn, of op welke wijze het feit dat er niet één bewijs is het materialistische standpunt ontkracht. In feite is er een schier onafzienbare hoeveelheid bewijzen op elk denkbaar terrein die de hypothese bevestigen dat de werkelijkheid materieel van aard is. Die hypothese zou te ondergraven zijn met bewijzen voor immateriële invloeden (wat we ons daarbij dan ook moeten voorstellen), maar die ontbreken ten enenmale. Er is, gegeven de objectieve waarnemingen die we hebben, simpelweg geen reden of noodzaak om een immateriële werkelijkheid te veronderstellen. Er zijn geen 'aanwijzingen dat er meer is dan materie'. Het 'meer' waar allerlei mensen als Hegener zo aan gehecht zijn, is een antwoord op een niet bestaand vraagstuk. Zo'n veronderstelling beantwoordt misschien een oppervlakkige behoefte aan 'zin' of 'verwondering', maar ze voegt geen verklaringskracht toe als het gaat over de vraag hoe de werkelijkheid in elkaar steekt. Bovendien schendt ze de regel van Occam: bij gelijke verklaringskracht gaat de voorkeur uit naar die theorie die de minste nieuwe vragen oproept.

Je mag dat allemaal in de wind slaan en toch allerlei immaterieels veronderstellen - dat spreekt, we leven in een vrij land. Die keuze heet geloof (of bijgeloof, al heb ik nooit begrepen waarom je die twee zou onderscheiden) - of, in het beste geval, als je van plan bent naar bewijzen te gaan zoeken, een onbevestigde hypothese. En je kunt het nalaten, wat je bijgevolg dus geen geloof kunt noemen. Dat sceptici het ondertussen aanhoudend druk hebben met het uittrappen van paranormale brandjes is in belangrijke mate te danken aan mensen als Hegener zelf, die beter zouden moeten weten, maar er om onduidelijke redenen voor kiezen materialisme, scepsis en wetenschap publiekelijk en op valse gronden af te schilderen als 'ook maar een geloof', en zo vrij spel te geven aan allerlei 'alternatieve verklaringen' waarvan uiterst aannemelijk is dat ze niet meer zijn dan middeleeuwse kolder.

zondag 21 november 2010

Back to the future

Wie eens vaker dan een keertje op dit blog is langsgekomen weet inmiddels wel dat de wereld van het paranormale zich te allen tijde in mijn warme kritiek mag verheugen. Als ik weer eens langs een aflevering van The Ghostwhisperer gezapt ben is mijn maag nog geruime tijd in opstand (als u op de link klikt moet op voor de grap de disclaimer eens openen...). Dertig procent van de Nederlanders gelooft dat Char, dat nette-kleding-voor-oudere-dames-model dat een occulte versie van Lingo beoefent, daadwerkelijk met de geesten van overledenen in contact staat. Van de Amerikanen tussen 18 en 29 jaar gelooft meer dan 50% dat er spookhuizen bestaan; oudere generaties blijken wat nuchterder - de jonge garde denkt kennelijk dat de kermis en de bioscoop een betrouwbare weergave zijn van de werkelijkheid.

Opmerkelijk genoeg gelooft in de VS een veel kleinere groep, zo'n 24% van de bevolking, in helderziendheid en toekomstvoorspellen. Ik noem dat opmerkelijk omdat juist op deze terreinen, in tegenstelling tot dat van spoken, het een en ander aan (min of meer) wetenschappelijk onderzoek is gedaan met als algemene uitkomst naar het lijkt een klein, maar significant positief effect. Het is duidelijk dat de goegemeente zijn wereldbeeld niet op de wetenschap baseert, maar dat wisten we natuurlijk al. Ik echter krijg het van deze onderzoeken een beetje benauwd. Op vele ervan is methodologisch van alles af te dingen, maar nu komt Daryl Bem van de Cornell University met een peer reviewed publicatie in een gerespecteerd blad van de American Psychological Association, het Journal of Personality and Social Psychology, waarin hij op basis van een reeks tamelijk eenvoudige experimenten enkele hoogst merkwaardige resultaten rapporteert. Die overigens, zo begint hij meteen te zeggen, naar zijn opvatting niets met het paranormale te maken hebben, maar onderdeel zijn van psi, een complex van vooralsnog mysterieuze maar normaal menselijke vermogens, met name helderziendheid, toekomstvoorspellen, en telekinese. Sorry Daryl, dat noem ik toch nog maar gewoon paranormaal, al snap ik best dat dat bij een serieus tijdschrift minder goed verkoopt.

Afgezet tegen de claims uit paranormale contreien is het allemaal tamelijk onspectaculair wat Bem zoal vindt. De toekomstvoorspellende prestaties van zijn onderzoekssubjecten wijken maar 3 tot 10 procent af van de verwachte toevalsmarge (en die 10 is een uitschieter), en dat wat voorspeld of voorzien wordt ligt niet verder dan enkele seconden in de toekomst. Maar al lijkt dat niet wereldschokkend, de implicaties van deze bevindingen zijn immens: een substantieel deel van onze theorievorming, niet alleen in de psychologie, maar ook in de fysica, moet op de schop. Aangenomen natuurlijk dat die bevindingen juist zijn, en geloof maar dat daar een levendig debat over zal losbarsten. De uitgebreide versie van het artikel van Bem, 'Feeling the Future', is hier te lezen, dus ik ga het niet van haver tot gort uiteen zetten. Maar het is illustratief om stil te staan bij enkele van zijn experimenten, waarin hij bekende psychologische mechanismen test in een experimentele opzet, alleen in de omgekeerde volgorde waarin ze normaal werken.

Bijvoorbeeld. In een regulier psychologisch experiment zou een proefpersoon gevraagd kunnen worden of een bepaalde afbeelding, die hem op een computerscherm wordt getoond, voor hem een positieve of negatieve gevoelslading heeft. De getoonde afbeeldingen zijn allemaal zo uitgezocht door de onderzoeker dat ze duidelijk en op voorspelbare wijze als positief en negatief te duiden zijn. Wat de proefpersoon niet weet is dat net voordat hij het plaatje ziet er heel kort een woord over het scherm flitst, zó kort dat hij het niet bewust kan waarnemen, maar het onbewust wel registreert – subliminaal aanbieden heet dat. Ook dat woord heeft een uitgesproken positieve of negatieve lading. De combinatie van woorden met navolgende afbeeldingen wordt willekeurig door de computer bepaald. Wat blijkt nu: als woord en navolgend plaatje in gevoelslading overeenstemmen heeft de proefpersoon minder tijd nodig om zijn oordeel over het plaatje te geven dan wanneer het woord negatief is en het plaatje positief, of vice versa: dan is de reactietijd significant langer. Dit effect wordt 'priming' genoemd: de gevoelsbeleving wordt al bij voorbaat een bepaalde kant op gestuurd, en vertraagt vervolgens de reactie als het plaatje er niet bij klopt omdat de proefpersoon dan ergens in zijn hersenen een correctie moet doorvoeren. Kloppen woord en plaatje wel met elkaar dan staat hij als het ware al in de juiste stand en reageert hij sneller.

Bem voerde het experiment in eerste instantie op deze gebruikelijke wijze uit en vond wat te verwachten was: als woord en beeld overeenstemden in gevoelslading, was de gemiddelde reactietijd 23,6 milliseconden sneller dan wanneer woord en beeld botsten. Maar vervolgens deed hij iets dat alleen iemand die al decennia lang in randparanormale sferen actief is kan bedenken. Hij deed het klassieke priming experiment nog een keer, maar draaide nu de aanbiedingsvolgorde van plaatje en woord om. Eerst ziet de proefpersoon een plaatje en geeft daarover zijn oordeel; en pas als hij het oordeel gegeven heeft bepaalt de computer willekeurig welk woord subliminaal wordt aangeboden. Resultaat: het priming effect bleef gewoon bestaan, zij het iets verdund. Als het woord dat op het plaatje volgde niet klopte met de gevoelslading van dat plaatje deed de proefpersoon er gemiddeld nog steeds langer over om op dat plaatje te reageren: 15 milliseconden langer dan wanneer woord en plaatje mooi met elkaar rijmden.

Even ademhalen hoor. Wat Bem hier beschrijft gaat tegen elke intuïtie en elk normaal, causaal begrip van de werkelijkheid in. En hij lijkt er behagen in te scheppen om zijn lezers om de oren te slaan met allerlei varianten op hetzelfde thema - negen experimenten in totaal met samen zo'n duizend proefpersonen, waarvan maar één experiment zonder significant resultaat was: de keuzes die proefpersonen maakten werden systematisch enigermate beïnvloed door informatie die ze pas na die keuze kregen.

Nog een voorbeeld met een bekend psychologisch principe behelst het 'mere exposure' effect: dat houdt in dat een negatieve of neutrale stimulus die je herhaaldelijk ziet alleen al door die regelmatige blootstelling en gewenning een positieve(re) lading krijgt. In een regulier 'mere exposure' experiment zou je de proefpersoon subliminaal een negatief geladen of neutrale afbeelding meermaals kunnen laten zien; vervolgens toon je hem niet-subliminaal datzelfde plaatje, naast een andere maar vergelijkbare afbeelding. De proefpersoon moet nu aangeven welk van beide beelden hij prefereert. Door de onbewuste blootstelling die aan de keuze vooraf ging zullen proefpersonen gemiddeld een voorkeur aan de dag leggen voor het plaatje dat subliminaal al werd aangeboden: als het een neutraal plaatje was zijn ze er een beetje op gesteld geraakt, en als het een negatief plaatje was zijn ze er aan gewend waardoor de negativiteit iets van zijn schok verloren heeft en de afbeelding in elk geval prettiger gevonden wordt dan het verse, nare alternatief.

Bem keerde de procedure weer om, en ziedaar: het 'mere exposure' effect bestond nog steeds. De proefpersoon sprak een voorkeur uit voor een plaatje, pas daarna bood de computer subliminaal en willekeurig een van beide plaatjes als gewenning aan, en voilà: in 53,1% van de gevallen bleek de proefpersoon de voorkeur te hebben gegeven aan het daarna door de computer gekozen plaatje. Geen enorm effect, maar wel een statistisch significante afwijking van de verwachte 50%. Proefpersonen raakten al gewend aan iets voordat ze het ooit hadden gezien.

Tja, daar zit je dan met je logische verstand. Het is maar goed dat je hier en daar in Bem's artikel een zinnetje leest waaruit helder blijkt dat de man in een andere wereld leeft dan u en ik – nou ja, dan ik in elk geval, want wie u bent weet ik eigenlijk niet; - die zinnetjes maken me wat achterdochtig en dat geeft enige troost. Zo is er één experiment waarin hij zijn proefpersoon een zestal woorden uit een lijst van 24 liet oefenen via een eenvoudige opdracht. Maar eerst kreeg de proefpersoon een reeks van 48 woorden aangeboden, waaronder die aanstaande zes oefenwoorden. Nadat de reeks was vertoond werd onaangekondigd de opdracht verstrekt om zoveel mogelijk woorden uit de reeks van 48 op te schrijven als men zich kon herinneren. Geheel volgens Bems omgekeerde wereld werd de oefening als laatste gedaan. En ja, u voelt 'm al: de naderhand geoefende woorden bleken al voor de oefening beter herinnerd te worden. Het is het equivalent van vandaag een examen halen omdat u er morgen goed voor gaat studeren.

In dit experiment voerde Bem echter ook een controleconditie in, waarbij de oefenwoordenlijst van 24 wel werd getoond, maar zonder dat de zes doelwoorden daadwerkelijk werden geoefend. Een van de redenen hiervoor, aldus Bem, was om te bewijzen dat het gemeten effect inderdaad door de leerconditie werd veroorzaakt, en niet doordat de proefpersoon via helderziende weg de in de computer aanwezige doelwoorden af had gelezen. Hij zegt het met een gemak alsof dat een heel alledaagse alternatieve verklaring zou zijn. En schrijft het menselijk brein in één adem niet alleen het vermogen toe via onverklaarde weg verborgen informatie waar te nemen en de juiste plek op de harde schijf te identificeren, maar zelfs om de reeksen nullen en enen waarin die informatie in de computer is opgeslagen te ontcijferen.

Daar wordt het allemaal toch wat fragwürdig, de onderzoeker lijkt een beetje te ontsporen, en dat verergert zich in Bems discussie over zijn resultaten. Hij doet daar iets waar iedere paranormale hobbyist die zichzelf te serieus neemt dol op is - hij sleept de kwantummechanica erbij. Hij kan er immers niet omheen dat zijn bevindingen nogal een aanslag betekenen op het heersende wetenschappelijke wereldbeeld, en de kwantummechanica heeft oppervlakkig beschouwd de prettige eigenschap dat ze vol zit met contraïntuïtieve rariteiten die omgekeerde causaliteit lijken toe te staan. Ik treed hier met heel lichte voetstapjes, want net als bij die paranormale hobbyist stoelt mijn kennis van de kwantumfysica enkel op een paar populair wetenschappelijke werkjes en op Wikipedia, zodat ik vooral besef dat ik er bar weinig van snap. Maar voor zover ik het snap is retrocausaliteit in de actuele fysica een notie die door sommige wetenschappers theoretisch mogelijk of zelfs waarschijnlijk wordt geacht, echter zonder dat er vooralsnog bewijs voor is. Wat ik ook begrijp is dat kwantumeffecten zich afspelen in de wereld van dingen zo klein dat het woord microscopisch nog reusachtig veel te groot is, en veelal onder extreme omstandigheden: in zeer krachtige energievelden, bij grote snelheid, of onder intense kou. Omstandigheden die we in onze macroscopische wereld niet aantreffen, waardoor we kwantumeffecten daar dan ook niet waarnemen. Dus hoe waarschijnlijk is het dat begenadigde fysici met toepassing van peperdure installaties en van hoofdpijnverwekkend complexe mathematica tergend moeizaam obscure kwantumeffecten in kaart brengen in een submicroscopische werkelijkheid, terwijl een doodgewone psycholoog ze nu met een reeks simpele experimenten en een beetje doorsnee propedeuse statistiek in de wereld van alledag zichtbaar maakt?

Niet zo heel erg, zou ik zeggen. En gelukkig weet ik tenminste één Nobelprijs winnende fysicus, iemand dus die wel weet waarover hij het heeft, die er ook ongeveer zo over denkt, kijk maar hier. Het essay is een decennium oud, maar ik betwijfel dat het veel aan actualiteit heeft ingeboet. Cruciale alinea:

Maar er zijn andere redenen waarom een fysische verklaring [voor paranormale verschijnselen] onmogelijk is vol te houden: men verlangt signalen die terug kunnen gaan in de tijd, signalen die enorme afstanden kunnen overbruggen, signalen die door onwaarschijnlijke bronnen zoals personen die in grote moeilijkheden verkeren, etc., worden uitgezonden, en ten slotte - heel essentieel - het coderen en decoderen moet vlekkeloos verlopen, terwijl in ieder radio- en televisietoestel voor deze stappen uitgebreide en toegewijde elektronica onontbeerlijk is. Kortom, al deze aspecten maken de genoemde verschijnselen volledig onkarakteristiek voor de fysica. In de ogen van de fysicus klinken daarom de verklaringen [voor paranormale verschijnselen] in termen van de deeltjesfysica, de kwantummechanica of de (algemene) relativiteitstheorie (of beide tegelijk) absurd.
Toch moet Bem voor nu het voordeel van de twijfel worden gegund. Hij heeft een net artikel ingediend dat volgens de geldende regels is getoetst bij een respectabel vakblad en publicatiewaardig is bevonden. Nu is het aan het brede forum van zijn collega's om hem het vel over de oren te halen. Vragen zijn er genoeg. Hoe is het bijvoorbeeld (kwantumfysisch…?) te verklaren dat 'stimulus seekers', proefpersonen dus met een verhoogde behoefte aan prikkels en afwisseling, het in verschillende experimenten beter deden dan de anderen, vooral als er erotische stimuli in het experiment gebracht werden? Wat hebben prikkelbehoefte en libido met het vermogen tot toekomstvoorspellen te maken? Is het vermogen de toekomst in te kijken soms een verlengstuk van menselijk ongeduld?

En dan is er het experiment waar niets uitkwam. Het was een variant van het 'mere exposure' experiment dat ik hiervoor beschreef, maar de insteek was anders. Er werden neutrale plaatjes gebruikt, en de hypothese was nu dat herhaalde aanbieding van zo'n neutraal beeld tot verveling zou leiden en tot een voorkeur voor het concurrerende nieuwe plaatje. Verder dacht Bem het vervelingseffect nog te versterken door, nadat de proefpersoon zijn voorkeur voor een van de twee plaatjes had aangegeven, het gewenningsplaatje niet subliminaal, maar zichtbaar en schermgroot te tonen. Kennelijk was hij bij het opzetten van zijn experiment nog niet op de hoogte van de literatuur die hij in zijn rapport wel aanhaalt, waaruit blijkt dat het gewenningseffect sterker is naarmate de stimulus korter wordt aangeboden, en dat subliminale stimuli het best werken. Het 'mere exposure' effect werkt langs onbewuste weg en lijkt door bewuste cognitieve processen zoals directe waarneming eerder te worden verstoord. Wat interessant is, is dat die verstorende werking zich kennelijk ook retrocausaal voordoet. Dat zegt iets over de manier waarop een proefpersoon een retrocausale stimulus waarneemt. Wel onbewust, maar kennelijk niet als de retrocausale stimulus bewust wordt gemaakt. Als dat komt omdat, zoals Bem veronderstelt, net als bij gewone habituatie cognitief bewust ervaren plaatjes minder goed werken, impliceert de onderzoeker daarmee dat zijn proefpersonen een bewuste, visuele waarneming moeten hebben gehad van de habituatiereeks nog voordat die vertoont werd. Helaas heeft hij daar geen navraag naar gedaan. Voor zover Bems experimenten laten zien kunnen mensen misschien wel een beetje de toekomst gewaar worden, maar alleen zonder dat ze het merken. Een of een paar seconden in de toekomst 'voelen' zonder dat je het in de gaten hebt; wetenschappelijk een belangrijke bevinding, maar voor alledaags gebruik tamelijk zinloos en een wereld verwijderd van wat allerlei paranormaal begaafden bedoelen als ze zeggen dat ze de toekomst zien.

Andere, ingewikkelder vragen doemen op. Hoe 'weet' een retrocausale habituatiereeks bijvoorbeeld op welk moment in het verleden hij zich moet 'aanbieden'? In normaal mere exposure onderzoek bepaalt de onderzoeker de timing tussen de subliminale reeks en het keuzemoment. Ook retrocausaal moet de proefpersoon de reeks onbewust hebben ervaren voordat het keuzemoment komt, anders kan er immers geen gewenning zijn. Maar niemand heeft daarover controle, dus hoe komt het dan dat die gewenningsserie zich als het ware 'uit zichzelf' precies op het goede moment doet voelen? De proefpersoon weet niet dat hij die serie te zien krijgt dus heeft er geen invoed op. Of leef ik hier nog teveel in de reguliere causaliteit, en moeten we veronderstellen dat het hele gewenningsproces retrocausaal verloopt: de proefpersoon kiest, went daarna pas aan de stimulus, en die achteraf opgetreden gewenning doet zich al in de eerder gemaakte keuze gelden? De proefpersoon wordt niet de plaatjes retrocausaal en onbewust gewaar, maar het gewend zijn aan de plaatjes? Bem laat zich er niet over uit hoe hij zich dit voorstelt, en ik krijg er een beetje buikpijn van.

Andere vraag: hoe lang kun je de tijd maken tussen de keuze en de subliminale reeks voordat het effect verdwijnt? - met andere woorden, tot hoe ver in de toekomst reikt de retrocausaliteit? En nog één: Als Bem veronderstelt, zoals hij lijkt te doen, dat de verklaring van retrocausaliteit in de fysica te vinden is, dat wil zeggen, dat retrocausaliteit een eigenschap is van de ons omringende werkelijkheid, waarom is het effect dat hij vindt dan zo klein? Je zou dan, omdat ze geen speciale 'gave vereist', toch verwachten een geslaagde voorschouw bij heel veel mensen te zien? Het is nogal jammer dat Bem geen enkel beeld geeft van de spreiding binnen zijn proefgroepen: waren er bijvoorbeeld mensen die het telkens opvallend goed deden?

En tja, hoe onaardig ook: bij resultaten die, indien waar, zulke ingrijpende gevolgen hebben als deze moeten we ook zeker weten dat de onderzoeker zijn data niet een handje geholpen heeft in de gewenste richting; een risico misschien nog een beetje groter bij deze oudgediende psycholoog aan het eind van zijn loopbaan die al decennia bezig is met 'psi' en wellicht alsnog de grote klapper wil maken die eerder is uitgebleven? De remedie voor deze schaamteloze verdachtmaking, waarvan mijn wangen kleuren, wordt gelukkig door Bem zelf aangedragen: replicatie. De onderzoeker heeft, prijzenswaardig, zijn hele protocol beschikbaar gesteld voor andere onderzoekslustigen, en het zal nu zaak zijn zijn experimenten elders, met andere proefpersonen en andere proefleiders te herhalen om te zien of er hetzelfde uit komt.

Op een internetforum merkt een kritische commentator overigens terecht op dat Bems rapport overtuigender zou zijn wanneer hij niet negen verschillende experimenten had gedaan, maar slechts één, met acht replicaties. Als hij met een van die replacitiesessies bij James Randi was langs gegaan had hij in het voorbijgaan ook nog een miljoen kunnen verdienen - leuk voor zijn pensioen, sinds de crisis kun je daar in Florida half Miami voor kopen.

(PS 22 november: Voor de liefhebbers, het vel over de oren halen is al begonnen. Voor een weloverwogen en glasheldere kritiek op Bems methodologische en statistische aanpak, die van zijn resultaten weinig heel laat, kijk hier - van eigen bodem nog wel. Ook de eerste replicatiestudie van een van Bems experimenten is er al, zie hier - u krijgt zelfs de gelegenheid om zelf, online, aan een van de experimenten deel te nemen. Er werd overigens geen bewijs voor precognitie gevonden. Het enige vervelende aan deze artikelen is dat ze mijn bovenstaande betoog geheel en al overbodig maken, en dat u dat dus ook voor niks gelezen heeft...)

donderdag 1 april 2010

Hersenverlamming

Een paar avonden geleden zat bij Pauw zonder Witteman hoogleraar Cognitieve Neurowetenschap Victor Lamme van de UvA. Er was aan deze meneer weinig professoraals, overigens; Lamme bleek een jolige jongen die een carrière als cabaretier of schlagerzanger is misgelopen. Hij had dolle pret met de verschrikkelijke Inez Weski, bij wie de liefde voor het eigen stemgeluid is ontaard in een ernstige vorm van juridische Gilles de la Tourette. De mondhoeken van tafelgenoot Van Haersma-Buma zonken er nog lager van, en dat kon toch al bijna niet meer. Ook meneer Lamme was vlot van tong, zodat snel duidelijk werd dat wetenschap voor hem vooral een onuitputtelijke bron van hilarische oneliners is. “Balkenende doet pijn aan je brein,” dat soort thuis voorbereide en koppig doorgedrukte lammigheid. (Van H-B’s mondhoeken daalden nog verder). Of neem de titel van zijn recente boek, lekker uitdagend om voldoende mediabelangstelling te verzekeren: De vrije wil bestaat niet.

Het is een notie die populair is onder hersenwetenschappers. Kort geleden nog promoveerde aan de Erasmus Universiteit psychologe Ilse Nijs, die bij monde van de Volkskrant liet weten dat dikke mensen er ook allemaal niks aan kunnen doen – hun hersenen sturen nu eenmaal onbewust hun ongezonde eetgedrag aan.

Die stoute hersenen toch! Een paar maanden terug echter had mijn werkgever een leuk dagsymposium georganiseerd rond het thema hersenen en vrije wil. Daar sprak cognitiefilosoof Marc Slors, die zich discreet vrolijk maakte over dit neurofysiologisch zondebokdenken. Omdat we tegenwoordig iedereen door de scanner kunnen halen doen we dat te pas en te onpas. En verhip: dingen die mensen doen, zeggen en voelen blijken verband te houden met bepaalde activiteit in de hersenen.

Alsof we dat niet al lang wisten.

Àl ons gedrag houdt verband met activiteit in de hersenen, dat is geen nieuws. Wanneer een correlaat in het brein reden is om mensen van hun verantwoordelijkheid te ontslaan, dan zijn we allemaal, altijd ontoerekeningsvatbaar. Zo ver gaan we dus liever maar niet – zelfs, naar ik begrijp, meneer Lamme niet. Maar door terug te wijken voor dit ultieme materialisme (of is het cynisme?), en de verontschuldiging van de hersenen alleen in bepaalde situaties aan te voeren, belanden we, merkte Slors scherpzinnig op, in een ander probleem. Soms doen we kennelijk dingen zelf, en soms doen onze hersenen het. Dat is ouderwets dualistisch denken. Ons brein krijgt de zwarte piet toegespeeld wanneer ons gedrag ons niet bevalt. “Ik heb het niet gedaan, mijn hersenen hebben het gedaan.” Ik wil wel afvallen, maar mijn hersenen pakken elke keer weer die kroket. We zijn terug bij de goedwillende homunculus die wanhopig probeert een eigenwijze (en zondige) machine te besturen.

Hoogleraar strafrecht Ybo Buruma maakte het verhaal mooi af. Voor de rechtspraak is het helemaal niet interessant of de vrije wil wel of niet bestaat, zei hij. We postuleren hem gewoon, want we hebben hem nodig om recht te kunnen spreken. Kijk, dat lijkt mij nou een mooi voorbeeld van goed werkende, gezonde hersenen.

woensdag 11 november 2009

Zum Wohl!

Carl Sagan was een held. Tegenwoordig wil je nog wel eens een film in het rampengenre zien waar de wetenschapper een toffe jongen is, ook al heeft dat vaak minder te maken met zijn academische verdiensten en zijn verbeten strijd tegen een corrupte overheid, dan met het feit dat hij wordt neergezet als een stoere vrijbuiter met een driedagenbaard op de vierkante kaak en een woeste net-uit-bed-kuif daarboven. Maar in 1980 was geleerdheid beslist niet cool. Als je slim was, was je een nerd, en vermoedelijk een gestoorde engerd ook nog. Toch kwam Sagan in die jaren onverschrokken op de proppen met de televisieserie Cosmos – een revolutionair concept waarin de schoonheid van ons universum, maar meer nog de schoonheid van de wetenschap bezongen werd. Zoiets hadden we nog nooit gezien, en de titelmuziek van Jean Michel Jarre spookte na elke uitzending nog uren na. Carl Sagan heeft het tijdelijke al lang met het eeuwige verwisseld, maar Cosmos is er weer, op DVD dit keer. Helaas blijkt, net als met Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, dat er zoveel decennia na dato eigenlijk niet meer naar te kijken valt. Fout kapsel; foute jassen; heel foute, pompeuze red-de-wereld speeches uit een tijd dat de nucleaire dreiging acuut gevoeld werd; een gedragen, slepend tempo dat het in deze tijd van afstandsbedieningen en snelle clips echt niet meer doet; - en het fictieve ruimteschip waarin Dr. Sagan zijn reis door tijd, ruimte en wetenschap maakte lijkt verdacht veel op een afgedankt Toppop decor. Zoals zo vaak: het boek is beter.

Want schrijven kon Sagan als geen ander. Contact, later prachtig verfilmd met Jodie Foster, is misschien wel de meest intelligente science fiction roman ooit – zo zou het echt kunnen gaan wanneer een buitenaardse beschaving contact met ons zoekt. Het allermooiste daarbij is Sagan's onwankelbare optimisme. De buitenaardsen hebben het goed met ons voor. In een ander mooi boek, Pale blue dot, legt hij dat uit: als een beschaving een hoog technologisch ontwikkelingsniveau bereikt heeft en zich vervolgens over millennia weet te handhaven moet zij wel vreedzaam en ecologisch bewust zijn, anders had ze zichzelf al lang vernietigd. Carl Sagan had niets op met boosaardige aliens zoals UFO-fanaten die overal zeggen te zien, die de aarde komen veroveren en al doende een merkwaardige obsessie met seks aan de dag leggen.

(De wonderlijke, biologisch nogal lastig te verstouwen, maar door duizenden aangehangen notie dat buitenaardse intelligentsia lichtjaren overbruggen om met aardse vrouwen nieuwe hybriden te kweken was aanleiding voor een van de meest geniale scènes ooit in The Simpsons, waar de arme Marge een alien abductee wordt:

Kang: Congratulations. You have been selected for our cross-breeding program.
Kodos: To put you at ease, we have recreated the most common spawning locations of your species. You may choose either
[as Kodos lists the choices, he highlights a mock-up of each
one]

the back seat of a Camaro,
an airplane bathroom,
a friend's wedding,
or the alley behind a porno theater.
Marge: I absolutely refuse to go along with this; [pause] but since I have no choice, I'll take the alley.
[the alley set slides behind the couch. Kang retracts his
helmet and sits next to Marge]

Kodos: Initiate fertilization procedure.
Kang: Oh, you look lovely this evening. Have you decreased in mass?
Marge: [voiceover] I tried to resist, but they applied powerful mind-confusion techniques.
Kang: Look behind you.
[Marge looks, and Kang quickly uses a ray gun to beam
something on her]

Insemination complete. [deploys space helmet]
Marge: Really? That seemed awfully quick.
Kang: What are you implying?
Marge: Nothing, nothing.
Kang: Whoa, wow, look at the time. I'd love to stay but I have an early meeting tomorrow. You're a super girl, though. I'll call you sometime.
[pushes a button marked "dump." The couch cushion tilts up,
and Marge falls back to Earth through a chute]

)

Daar had Carl vast hartelijk om moeten lachen. Maar verder had hij weinig op met dat soort fantastische verhalen. Dat legt hij dan weer uit in zijn allermooiste boek, The demon haunted world. Dat draait om de vraag hoe het komt dat mensen in grote getale blindelings bereid zijn allerlei verhalen voor waar aan te nemen zonder dat er maar een greintje bewijs voor bestaat. Nog nooit, stelt Sagan verbluft vast, waren zoveel mensen zo goed opgeleid en was zoveel kennis zo breed toegankelijk; hoe kan het dan dat niettemin meer dan de helft van de Amerikanen in spoken gelooft? The demon haunted world is vaak erg vermakelijk door de genadeloze en toch bijna liefdevolle manier waarop de schrijver de onzinnigheid van spokengeloof, UFO-verhalen, graancirkels, Mariaverschijningen en andere onaardsheden blootlegt. Maar onder de zachte spot voelen we steeds een bezorgdheid, zelfs een angst, die Sagan naar het einde van het boek ook uitspreekt. Goedgelovigheid is gevaarlijk. Het klakkeloos voor waar aannemen van verhalen zonder bewijs is de grondslag van totalitaire regimes, van racisme, van politieke en justitiële misstanden, van fundamentalistische religie. Er vallen doden door.

Jammer genoeg zijn boeken als The Demon haunted world altijd preken voor eigen parochie. Ze worden met liefde en smaak gelezen door mensen die het toch al met Sagan eens waren; al die anderen, de wichelroedelopers en de metamorfosemasseurs, die vinden dat de wetenschap 'ook maar een geloof is', of zelfs een georganiseerde samenzwering om hogere waarheden te verdoezelen, laten zulke boeken links liggen. Hoe jammer dat is blijkt dezer weken weer eens nu de samenzweringstheorieën als paddenstoelen uit de grond schieten rond de Mexicaanse griepvaccinatie. Internet geeft iedere losgeslagen idioot een stem, en andere losgeslagen idioten een grenzeloze bron van zelfbevestiging. Boze, mislukte artsen gooien het over de paranoïde boeg en worden alsnog wereldberoemd. Met droge ogen wordt beweerd dat het aan de medische samenzwering te danken is dat we steeds minder gezond zijn - in een westerse wereld waar de gemiddelde levensverwachting ieder jaar met enkele maanden toeneemt en het aandeel ernstige ziekten in de bevolking gestaag daalt. Waar doe je het als wetenschapper allemaal voor, vraag je je af. Massa's mensen die beter zouden moeten weten lopen liever het risico dat hun kind sterft aan een lullig virusje dan dat ze zelfs maar willen overwegen zich een keer tot de feiten te beperken. Lichtgelovigheid en gebrek aan scepsis zijn gevaarlijk, inderdaad. Vooral in een verwende samenleving die verslaafd is aan zelfbedachte angsten.

Ik ben tegenwoordig een risicogroep, dus kreeg ik een uitnodiging voor de Mexicaanse griepvaccinatie. Op het gevaar af nu een met nanochips doorspoelde slaaf van gestoorde wetenschappers en boosaardige politici te zijn, ben ik gegaan, meteen. Toen de spuit erin ging dacht ik, 'Op jou, Carl! Cheers!’

maandag 9 maart 2009

Urker almanak

In het cellofaantje met spam dat wekelijk op mijn deurmat valt, omdat ik zo’n ja/nee sticker zo lelijk vindt op mijn netgeschilderde voordeur, prijkte, alweer een weekje of zo geleden, een fleurig foldertje waarvan het omslag was verlevendigd met behartenswaardige aanmaningen zoals “Levensbelang” en “BELANGRIJK!”. Dat gooi ik natuurlijk niet zomaar weg. Daar ben ik eens goed voor gaan zitten. Ik was meteen al onder de indruk. Het omslag van het pamfletje moet ontworpen zijn door iemand die voor het eerst de vreugdes van Photoshop heeft ontdekt en zich daar eens lekker in heeft laten gaan. Schaduwen, contourlijntjes, cut-outs en vier verschillende lettertypen hebben een waarlijk duizelingwekkend ensemble opgeleverd, dat draait om een groot vraagteken. Het vraagteken van de vraag waar jij in gelooft, evolutie of schepping.

Wat een rare vraag. Het principe van de evolutie is inmiddels zo rijkelijk met bewijzen onderbouwd dat je moeilijk meer kunt zeggen dat daar iets aan te geloven valt. Maar, zo blijkt al snel, dit opwindende foldertje is er geheel belangeloos op gericht de misleide lezer duidelijk te maken dat niets minder waar is. Het volgt het voorbeeld van een grote menigte wanhopige wichelroedelopers, UFO-ontvoerden, handopleggers, spokenjagers, duiveluitdrijvers, metamorfosemassagetherapeuten en andere brave beroepsbeoefenaren die stuklopen tegen de muur van de wetenschap, en daarom pogen om die muur heen te lopen door te verklaren dat wetenschap ook maar een geloof is. In de rechterbenedenhoek van het omslag lezen we “Jaargang 1, nr. 1”, zodat we ons er kennelijk op kunnen verheugen de onderbouwing van deze gedachte gedurende meerdere jaren meermaals per jaar uiteengezet te krijgen. Hoezee.

Maar serieus. Creationisten die de wapenen van de wetenschap ter hand nemen om de wetenschap te bestrijden, dat is toch van een schattige potsierlijkheid; met name omdat ze van die wapenen alleen schadeloze miniatuurversies weten te hanteren, een beetje zoals kinderen die met plastic zwaardjes de koene ridder uithangen. Er wordt uit dat kleurige foldertje niet bijster veel duidelijk. Helaas blijkt de inhoud ongeveer net zo confuus als het grafisch ontwerp. Maar wat na lezing beslist buiten kijf staat is dat de auteurs ervan bar weinig kaas hebben gegeten van wetenschap.

Het begint al meteen goed. Als Punt 1 wordt ons duidelijk gemaakt dat wat we zien alleen maar bepaald wordt door wat we willen zien. De implicatie daarvan lijkt te zijn dat als we geen zin hebben om in god de schepper te geloven, we daardoor evolutieprincipes gaan zien. Dat die principes haarfijn ondersteund worden door allerhande bewijzen die creationisten net zo duidelijk waarnemen als de meest hardline Darwinist, zoals verderop in de folder blijkt, vergeten de auteurs gemakshalve maar even. Wat we zien wordt blijkbaar toch in belangrijke mate bepaald door onze ogen. Het belangrijkste verschil tussen creationisten en bonafide wetenschappers is dat de eersten fluks ophouden met kijken wanneer dat wat ze zien niet meer in hun straatje past.

Na deze opwarmer volgt nogal out of the blue de vraag: ‘Wie is God?” Maar ja, god komt ook out of the blue. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat de lezer zometeen over God dezelfde vervelende vragen gaat stellen zoals die in de folder over evolutie worden gesteld. Daarom wordt ons uitgelegd dat wij god niet kunnen begrijpen, evenmin als een schilderij de schilder kan begrijpen. God is hors concours. Evolutie moet bewezen worden, maar god hoeft je alleen maar te poneren, waarna je hem op je gemak niet kunt gaan zitten begrijpen. Dacht u in bijbelse kringen toch wel eens wat vernomen te hebben over god de vader en wij zijn kinderen, geschapen naar zijn evenbeeld en met een vrije wil, blijkt u er toch mooi naast te zitten. U bent een olieverfje van de Grote Zondagsschilder in de hemel. Dus dicht die grote mond en rap terug in uw lijst!

Vanuit die kalmerende positie kunt u dan reflecteren op het derde wijsgerige item in deze nu al overdadig rijke folder, die u zomaar hartstikke crisisvriendelijk helemaal gratis aangeboden hebt gekregen. Wij leren dat wetenschap in twee soorten te onderscheiden is, technisch en historisch. Resultaten uit technische wetenschappen zijn herhaalbaar in het heden en de toekomst; historische wetenschappen gaan alleen maar over interpretatie van wat vroeger is gebeurd en kunnen niets met zekerheid zeggen. De schrijvers lijken hier jammer genoeg enigszins beduizeld te raken door hun eigen genialiteit. Want kijk, kindertjes in Zweden mogen misschien heel anders tegen Noormannen aankijken dan Nederlandse kindertjes, ze zijn het er toch heus samen over eens dat die Noormannen hebben bestaan (het getuigt overigens van groot en lovenswaardig cultureel optimisme dat de schrijvers veronderstellen dat moderne kindertjes überhaupt een mening hebben over Noormannen, of weten wat dat zijn). Helemaal los van persoonlijke smaak, en een enkele balsturige bisschop daargelaten weten we van nogal veel dingen in het verleden nogal zeker dat ze echt gebeurd zijn.

Maar het is nog erger. Evolutie herhaalt zich in het heden en in de toekomst, en wie niet het geduld heeft te wachten op de resultaten kan het proces in het laboratorium gadeslaan bij zich snel vermenigvuldigende wezens als bacteriën. Dat deed William Dallinger al in de jaren tachtig van de 19de eeuw. Niet alleen beweert ons mooie pamfletje onzin over historische wetenschap, evolutieleer ìs helemaal geen historische wetenschap en is vele malen onder experimentele condities bevestigd.

Het ragfijn spel van onze stichters is daarmee echter lang niet uitgespeeld. Zij gooien nu zonder pardon de Tweede Wet van de Thermodynamica in de strijd. Dingen waar je niks aan doet ontaarden in rotzooi, en als je orde wilt behouden of laten ontstaan moet je daar energie in steken. Omdat de lezer zich aanmatigt te denken dat hij de schrijvers nog steeds kan volgen verwacht die hier een wending in de richting dat al het diep geordende schoons in de natuur nooit spontaan kan zijn ontstaan en een sturende meesterhand nodig had. Maar dit creationistische troetelkind, met stip op één in de kill your Darwins hitparade, komt in het foldertje helemaal niet voor. We vermoeden dat het zorgvuldig wordt bewaard voor jaargang 12, nummer 17. Nee, hier wordt, zij het via een wel erg korte bocht (“klein diertje, vis, muis, aapmens”), weergegeven wat evolutie inhoudt en afgesloten met de constatering dat volgens evolutieleer de daarvoor benodigde energie van de zon kwam.

Uhm, ja. Dat klopt. En nou...? Enigszins verbaasd kijkt de lezer op van zijn lectuur. Verraden onze Urker broeders zich hier als cryptodarwinisten? Of zijn ze overvallen door een moment van spontane ordening, een toevallige flits van daadwerkelijk begrip van evolutie?

Het zal een raadsel blijven, tenzij men natuurlijk in jaargang 23, nummer 47, nog op deze intrigerende kwestie terug gaat komen. Het maakt niet uit, de lezer wordt alweer meegetorst door de volgende golf van diepzinnigheid, en het wordt echt menens, want nu komen “een paar feiten.” Het feit, bijvoorbeeld, dat er fossielen worden gevonden van dieren die we in diezelfde vorm ook nu nog kennen. Dat klopt niet met evolutie want evolutie betekent immers dat soorten zich steeds ontwikkelen, zo kraaien de schrijvers in een welgeslaagde demonstratie van religieus zwart-wit absolutisme. Maar anders dan god schrijft de evolutie geen 'gij zult' voor. Soorten passen zich aan en verbeteren zich in relatie tot hun leefomgeving. Als geen selectiewinst meer te halen is kan een soort lange tijd bijna onveranderd voortbestaan. Da’s een enge kleur voor onze Urker broeders: grijs.

Maar de aardlagen dan, roepen zij haastig. Er wordt beweerd dat de oudste fossielen in de oudste aardlagen worden gevonden, en dus voorlopers zijn van latere vormen. Edoch, broeders en zusters! “Er is ook een andere theoretische verklaring mogelijk.” Ik dacht dat we het over feiten hadden, maar goed, een mooie theorie is nooit weg. Zeker niet als die bestaat uit een magnifieke catastrofe die alle bestaande dieren allemaal tegelijk precies in die mooie laagjes heeft gesorteerd die de geologen nu aantreffen. Onze schrijvers gaan helemaal los in het schilderen van deze mondiale ramp, Discovery Channel is er niks bij, ze zijn hier duidelijk in hun element: “Aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, overstromingen, aardverschuivingen enz.” Vooral dat “enz.” is wel stoer – die Bijbeljongens hebben altijd al met achteloos gemak gegrossierd in catastrofes, en voor een zondvloedje hier of een wereldbrandje draait de Lieve Heer zijn hand natuurlijk niet om, die vindt het heerlijk zijn schepselen zo op zijn tijd eens lekker te treiteren. Niettemin zou het wel netjes zijn geweest als onze creationistische brigade even had vermeld over welke dramatische, wereldwijde catastrofe het hier precies gaat, en in welk Bijbelvers we er naders over kunnen lezen. Al was het maar om het mysterie op te helderen waarom nou net de vissen als een van de eerste soorten werden bedolven, terwijl die toch voor alle genoemde vormen van rampzaligheid tamelijk onkwetsbaar zijn. Ja, als de schrijvers ons dat genoegen hadden gedaan, dan hadden we ze voor deze keer misschien wel de omissie vergeven van het feit dat we sinds de uitvinding van radiometrische datering tamelijk precies kunnen vaststellen hoe oud de verschillende aardlagen zijn. Jammer van die mooie catastrofe, maar helaas niet even oud.

Nu we het einde van ons adembenemende leesuurtje naderen lijken onze koene missionarissen toch wat beteuterd te zijn geraakt door al dat lastige verweer. Hun laatste pijlen zwadderen verdwaald langs het firmament. Ze klagen over bomen die door meerdere geologische aardlagen heensteken, terwijl “de evolutietheorie veronderstelt dat de aardlagen gedurende miljoenen jaren gevormd zijn.” Het is beslist sympathiek dat de evolutietheorie hier zo’n wijds bereik wordt toegedicht, maar tot op heden zegt ze helaas helemaal niets over de vorming van aardlagen – daar gaan de geologen over. Ja maar, ja maar! In schoolboeken worden kinderen bedot met vervalste tekeningen van dierlijke en menselijke embryo’s om ze te laten geloven dat die er in het begin allemaal ongeveer hetzelfde uitzien. - Da’s dan niet zo mooi. Maar zelfs als het waar is dat sommige schoolboeken nog de achterhaalde tekeningen van Haeckel bevatten (de schrijvers doen, zoals het doorgewinterde niet-wetenschappers betaamt, niet aan bronverwijzing) zegt dat natuurlijk in het geheel niets over de geldigheid van evolutieleer, hoogstens over een onderontwikkeld arbeidsethos bij sommige schoolboekenmakers. Met deze uitsmijter maakt onze relibrigade de cirkel niettemin mooi rond. Net als aan het begin verraadt zij zich wederom als een kenmerkend specimen van haar soort. Paranoïde theorieën waarin de hele wereld er op uit is de boel te bedotten en de werkelijkheid te verdoezelen zijn helemaal de rigueur in bovenwereldlijke kringen. Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten, nietwaar.

In de conclusie wordt stoom afgeblazen met een snelle herhaling van eerdere dwalingen. Maar door en door welgemanierd blijven onze bekeerders tot het bittere eind: “U of jij hebt een keuze” - je mist alleen nog, ‘doorhalen wat niet van toepassing is'. “Geloven wat de evolutietheorie vertelt over de wordingsgeschiedenis van de mens, of geloven wat er in de Bijbel staat.” En dan komt de aap uit de mouw. Onder al hun stichtelijk vertoon verraden onze Urkenaren zich als onvervalste hedonisten, ze lijken haast wel katholiek. Want waarom verkiezen ze het geloof in god? Gewoon, omdat het fijn is! Dan krijg je tenminste licht verteerbare antwoorden op de vragen waar we vandaan komen, waarom we hier zijn en waar we heen gaan als we sterven. De wetenschap beantwoordt die vragen natuurlijk net zo goed, maar wel een stuk minder aangenaam. Onze broeders zijn even lui als die schoolboekenmaker van daarnet, daar komt het op neer. Maar misschien nog net iets dommer. Hoe dom precies, overtuigt u zich daar zelf maar van, dat kan hier. Met gratis Johannesevangelie!

vrijdag 2 januari 2009

Een goed begin

Het jaar begon meteen al met goed nieuws. De zeespiegel stijgt helemaal niet! Dat is alleen maar een fabeltje dat den volke op de mouw wordt gespeld door politiek correcte wetenschappers die in opdracht van milieufascistische regeringen data vervalsen en bevindingen manipuleren met een verve en een unanimiteit waar Koreaanse gen-onderzoekers bleekjes bij afsteken. Dat althans is ongeveer de strekking van een betoog van ene emeritus professor Peter Bloemers, vandaag in de krant. En we hoeven hem niet op zijn woord te geloven, wie er meer van wil weten, zo raadt hij aan, moet maar eens googlen op de naam Nils Axel Mörner. Dat is weer een andere gepensioneerde prof, maar in dit geval eentje die te boek staat als een van de grootste zeespiegeldeskundigen ter wereld. Althans, volgens Bloemers.

Mörner zelf denkt er anders over. Hij is niet een van de grootsten, hij is DE grootste. “There’s no one who’s beaten me;” - voor wie het nog niet wist, wetenschap is oorlog. Deze zelfverzekerde linkse hoek is de openingsstoot in een interview dat Mörner gaf met het Executive Intelligence Review en waaruit Bloemers nogal wat van zijn wijsheden lijkt te betrekken. Heel goed natuurlijk, zo’n basis in de vakliteratuur. Alleen jammer dat het EIR het clubblaadje is van Lyndon LaRouche, een van Amerika’s meest bizarre politici. LaRouche vraagt zich af of de Holocaust wel helemaal zo erg was, spendeerde jaren in de cel vanwege fraude, en denkt dat de koningin van Engeland aan het hoofd staat van een internationale drugdealersbende of toch op zijn minst van een minderwaardige menselijke ondersoort. Maar dat laatste bedoelde hij alleen maar bij wijze van spreken. Toch?

Voor je het weet heb je zo het meest kleurrijke doopceel bij elkaar gegoogled voor de goeie ouwe professor Mörner. Wanneer hij niet optreedt op een conferentie van Exxon (lunch included) doet hij het wel op eentje van Vladimir Putin, bij welke laatste gelegenheid hij zichzelf wat extra cachet verleent door zich te presenteren als president van de International Union for Quaternary Research, een functie die hij op dat moment al jaren niet meer bekleedt. De echte president, die er heel andere ideeën op nahoudt dan Mörner, was not amused. Gelukkig heeft Mörner nog vrienden genoeg. Bijvoorbeeld bij het Natural Resource Stewardship Project, een lobbygroep van energiebonzen die angstvallig geheim houdt uit welke middelen ze wordt betaald. Maar ze hebben absoluut de meest groene website die ik ooit heb gezien.

Natuurlijk, als zo iemand zegt dat de zeespiegel niet stijgt, dan geloven we dat meteen. Zo’n bescheiden, rechtgeaarde lieverd... Wat zegt u – ad hominem? Tja, ik zou best op de doorwrochte wetenschappelijke inhoud van Mörners ideeën in willen gaan, maar laat ik die nou nergens op Google tegenkomen. Wat me duidelijk wordt is dat hij dol is op wereldwijd veldwerk (“I don’t think there’s a spot on the Earth I haven’t been in” - gelukkig hoeft hij zich niet druk te maken over zijn carbon footprint), en dat hij een pesthekel heeft aan rekenwerk achter de PC. De evidentie die ik tegenkom voor zijn claim dat de zeespiegel bij de Malediven daalt in plaats van stijgt bestaat uit een foto van een oude boom op een rotsstrand, door Mörner zelf genomen, en de mededeling dat als de zeespiegel echt steeg, die boom er niet meer zou zijn. En o ja, de vissers ter plaatse zeggen ook dat het water gezakt is. En al die vele, vele collega’s van hem die een heel andere opvatting zijn toegedaan, die zien gewoon simpele dingen over het hoofd, zijn verdwaald in hun eigen computermodellen en snappen er kort en goed de ballen van. Er kan er ook maar één de beste zijn natuurlijk.

Waar Mörner ook in uitblinkt is wichelroede lopen. Ja dat leest u goed. Onze hooggeleerde emeritus heeft een hele theorie uitgedacht waarom wichelroedes werken, bijvoorbeeld bij het opsporen van water. Weliswaar viel een poging dat op de Zweedse TV hoogstpersoonlijk te demonstreren een beetje in het water (of eigenlijk niet, dus), maar de waarheid achterhaalt de sceptici nog wel. Misschien heeft Mörner zijn Maledivense zeespiegelmetingen ook met de wichelroede gedaan? Het zou veel verklaren.

En hoe zit het nou met dat zeeniveau en het menselijke effect op het klimaat? Ik heb geen idee. Ik ben best bereid te geloven dat het allemaal lang zo erg niet is als sommigen beweren; of ook dat het wel erg is, maar dat dat niks met ons mensen te maken heeft. Maar ik ben niet bijster bereid dat te geloven van zulke bozig-bittere has-beens als Mörner en Bloemers. En dat hoeft ook niet. Salomon Kroonenberg betoogt iets vergelijkbaars, maar dan zonder de zure smaak, de zelfverheerlijking, de foute vriendjes en de para-abnormale randactiviteiten; zelfs, en dat is knap, zonder één referentie aan de grootste zeespiegeloog aller tijden.

zondag 21 december 2008

Priemend

Groot nieuws. Twee tot de macht drieënveertigmiljoen honderdtwaalfduizend zeshonderdnegen minus één is een priemgetal. Om precies te zijn, het eerste bekend geworden priemgetal dat uit meer dan tien miljoen cijfers bestaat. Als je het uit je hoofd wilt leren om bijvoorbeeld een doodlopend oudjaarsfeestje weer wat leven in te blazen, hier kun je het in zijn volle glorie bewonderen. Pas op, ook al is het maar platte tekst, de download is niettemin 16MB groot...

zondag 30 november 2008

Respect

Wetenschapsfilosofen Herman de Regt en Hans Dooremalen schreven een boekje met de treffende titel Wat een onzin!. Daarin stellen ze zonder pardon alle abracadabra aan de kaak waar onwaarschijnlijke hordes landgenoten zomaar klakkeloos in geloven, van Dr. Pims zogenaamd wetenschappelijk bewezen leven na de dood tot Derek Ogilvie’s zogenaamde contact met overledenen. Reden voor De Volkskrant om de heren academici in een interview nog wat nader aan het woord te laten. Het resultaat was voorspelbaar. In de ingezonden brieven rubriek buitelden de zweveriken over elkaar heen om deze onbestaanbare wetenschappelijke arrogantie eens goed aan de kaak te stellen.

Wat daarbij vooral pijnlijk in het oog springt is het onwaarschijnlijk primitieve denkniveau van de briefschrijvers. Elektriciteit kun je niet zien en bestaat toch ook? zo werpt Nico Sjerps uit Amstelveen in de strijd. Je vraagt je af wat zich afspeelt in de oersoep tussen ’s mans oren. Elektriciteit kun je niet zien en bestaat tóch, spoken kun je evenmin zien en bestaan dus ook, dat is de kennelijke achterliggende redenering. Meneer Sjerps vergeet even dat om de vraag te beantwoorden of elektriciteit bestaat, hij alleen maar op een lichtknopje hoeft te drukken. Je kunt elektriciteit weliswaar niet met je ogen zien, maar we kunnen haar opwekken, manipuleren, meten en geleiden; we kunnen tot in de finesses voorspellen hoe ze zich zal gedragen. Zodra meneer Sjerps een spook heeft gevonden waarvoor hetzelfde geldt, mag hij terug komen.

Maar dat is niet het ergste uit zijn brief. Het ergste is de neerbuigende Überlegenheit waarmee hij De Regt en Dooremalen maant niet zo puberaal te doen, maar als heuse volwassenen andere meningen naast de hunne te laten bestaan en te respecteren. Nico Sjerps wil respect voor mensen die in onzin geloven. In dit arrogante staaltje zelfoverschatting gaat een drogreden schuil die paranonsensadepten met graagte hanteren: de wetenschappelijke kijk op de wereld is ook maar een mening, en alle meningen zijn evenveel waard.

Echt waar? Dat de aarde om de zon draait, een kwestie van opinie? Dat elektriciteit bestaat, het is maar wat je gelooft, als je denkt van niet doet je lichtknopje het niet meer?

Je vraagt je af wat deze mensen eigenlijk voor de geest staat als ze aan wetenschap denken. Maar dat het weinig te maken heeft met wat wetenschap is, dat is wel zeker. De wetenschap, immers, doet niet veel anders dan vragen, ‘hoe weet je dat zo zeker?’ en ‘waar is je bewijs?’. In belangrijke mate is zij niet meer dan geïnstitutionaliseerd gezond verstand. Hoogstens is ze wat secuurder in het onderzoeken van bewijsstukken en het verkennen van alternatieve verklaringen. Als meneer Sjerps nu beweert dat spoken bestaan, of dat aliens ons bezoeken, of dat bomen zielen hebben, of dat Bigfoot door de Amerikaanse wouden zwerft, wat is er dan zo puberaal en respectloos aan om te vragen, ‘hoe weet je dat zo zeker?’ en ‘waar is je bewijs?’. Helemaal niets, natuurlijk. Maar meneer Sjerps en zijn kornuiten vinden zulke vragen erg vervelend omdat ze voelen dat er meer is, maar eigenlijk niet zo goed kunnen uitleggen waarom - en bewijs, dat hebben ze al helemaal niet. Sjerps & Co. vinden het gewoon fijn om te geloven wat in hun kraam te pas komt. ‘Spiritueel’ noemen ze dat, met het meest uitgewoonde woord in de Nederlandse taal. Mij lijkt ‘puberaal’ nog teveel eer, dit is ruimschoots prepuberaal, het is infantiel.

Maar ja, als ik dat beweer ben ik natuurlijk ook zo’n ‘fundamentalistische’ wetenschapper die ‘de waarheid in pacht heeft’. Het is nog nooit in meneer Sjerps schemerige hoofd doorgedrongen dat de wetenschap wel de laatste wereldkijk is die in waarheden grossiert – dat kun je over het algemeen veel beter aan religies en gelovigen overlaten. Wetenschap verzamelt bewijzen, ontwerpt op basis daarvan theorieën over de werkelijkheid, en verwerpt die weer wanneer waarnemingen worden gedaan die niet met de theorie stroken. Sterker nog, met welhaast masochistische vastberadenheid wordt gezocht naar situaties die de theorie ontkrachten. Wie begrijpt hoe dat werkt, en dat doet Nico Sjerps beslist niet, evenmin trouwens als Peter van der Wurf uit Geldrop, begrijpt ook dat wetenschappers nooit zullen beweren dat ze hebben bewezen dat iets niet bestaat. Meneer van der Wurf uit Geldrop slaat een zielig modderfiguur met zijn ironisch bedoelde ‘Chapeau!’ voor de wetenschappers die eindelijk hebben bewezen dat God niet bestaat, noch een leven na de dood.

Bewijzen dat iets niet bestaat is namelijk onmogelijk. Stel u een wezen voor dat u lachwekkend absurd voorkomt, echt, u mag er van maken wat u wilt, paarse stippen, gifgroene kippenpoten, zes paar vlindervleugels, geneigd in paringstijd luidkeels aria’s te zingen uit Lucia di Lammermoor… have a ball, maar zorg dat het iets is waarvan uw geestelijke gezondheid en uw goede smaak het u onmogelijk maken te geloven dat het bestaat. En vraagt u zich nu eens af hoe u een ander gaat bewijzen dat dit vreemde, verrassend muzikale wezen feitelijk niet bestaat. Daar kunt u heel lang over nadenken, het gaat u niet lukken. Maar u zult wel merken dat u met een grote mate van waarschijnlijkheid aannemelijk kunt maken dat het niet meer dan een fictie is. Er bestaan bijvoorbeeld geen consistente, onafhankelijke waarnemingen van. Het is nooit gefotografeerd. Nooit is een noot gehoord, laat staan op band vastgelegd, van zijn doorleefde Regnava del silenzio, zelfs niet door die Italiaanse expeditie die, verdwaald in de Boliviaanse jungle, toch hunkerde naar iets te eten en een paar maten Donizetti...

Kijk, het is zo. Mensen mogen geloven wat ze willen. Maar zodra gelovigen beweren dat hun overtuigingen over meer gaan dan alleen hun eigen subjectieve beleving, dat zij daadwerkelijk iets zeggen over de werkelijkheid buiten hun hoofd, over de objectieve werkelijkheid van de kosmos, dan mag de wetenschap vragen, ‘hoe weet je dat zo zeker?’ en ‘waar is je bewijs?’. En dan mag de wetenschap (en het gezond verstand) bij gebrek aan enig deugdelijk bewijs ook vaststellen dat er heel weinig reden is om aan te nemen dat echt sprake is van meer dan een hersenspinsel, een wens die weer eens een gedachte op de wereld heeft geschopt. Zodra een of andere zweverik een betere manier gevonden heeft om fabeltjes van feiten te scheiden hoor ik het graag.

zaterdag 8 november 2008

Egotrip

Hoogleraar Derksen van de Nijmeegse Radbouduniversiteit heeft het nu onomstotelijk aangetoond: moderne jongeren worden almaar narcistischer. Derksen is een kenner van het fenomeen, volgens sommige van zijn collega’s because it takes one to know one. De psychologieprofessor (of liever gezegd, zijn projectgroep, maar uiteraard gaat de baas met de media-eer strijken) vergeleek ervaringen van leraren met jongeren van nu en van twintig jaar geleden, en ontdekte dat de hedendaagse scholier veel minder rekening houdt met anderen, egoïstischer is, ongemanierder, luidruchtiger, gemakzuchtiger, en een te optimistisch beeld heeft van zijn eigen kunnen. Dat laatste komt omdat ouders zelden meer bezig zijn met grenzen aangeven of corrigeren, maar daarentegen hun kleine wereldwonder alleen maar in alle toonaarden laten horen hoe geweldig het is. Kinderen worden voortdurend geprezen om niets, zegt Derksen. Hij denkt ook dat er iets mis gaat met de hechting in de jonge jaren, omdat ouders veel afwezig zijn. Ik denk dat het simpeler is: voor ouders die allebei menen te moeten werken om de status van een carrière te hebben, het huis van hun dromen, de tweede auto en de derde vakantie, is het kind ook een consumptiegoed geworden – wanneer ze er eindelijk tijd voor hebben mag het alleen maar allemaal leuk zijn. Net als de reis naar Chili en de nieuwe keuken moet het kind bewijzen hoe goed ze het in het leven doen. Het is een totem van hun geslaagdheid geworden, een pion in hun eigen narcistische project.

Als alle blijmoedigheid en zelfverzekerdheid ten spijt toch duidelijk wordt dat er iets niet goed gaat staat gelukkig een grabbelton vol modieuze diagnoses klaar waaruit naar believen soelaas kan worden geput. Wat je vroeger gewoon een klein ettertje noemde heet tegenwoordig een ADHDer of lijdt aan PDD-NOS. Verzonnen handicaps waarvoor het kind, aldus Derksen, vervolgens ook nog eens beloond wordt met oplossingen die het probleem verdoezelen.

Ik denk dat hij gelijk heeft. Maar dat grote onderzoek had hij zich kunnen besparen. Een ochtendlijk fietstochtje van mijn huisadres naar mijn werk is meer dan genoeg om de narcistische jongere in volle glorie te ontmoeten. Een paar dagen geleden nog: Op het fietspad van het spoorviaduct komen twee meisjes van pakweg vijftien jaar me tegemoet. Tegen de verkeersrichting in nemen ze het pad over de volle breedte in beslag. Ze fietsen zoals alleen zulke meisjes dat kunnen, zó langzaam dat ze net niet omvallen, en ook verder nogal wiebelig omdat ze uiteraard allebei maar één hand aan het stuur hebben; de andere zit, met mobiel, tegen het oor gelijmd. Misschien zijn ze met elkaar aan het bellen? Als de evolutie zijn werk blijft doen is de linkerarm over enkele eeuwen gereduceerd tot een tegen het oor steunende stomp met een GSM-houder aan de pols. Als de evolutie zijn werk blijft doen verstaan we straks elkaars stemmen alleen nog door de telefoon.

In een dergelijke situatie hanteer ik het principe dat wie de verkeersregels overtreedt, zelf de problemen maar moet oplossen die daardoor ontstaan. Helaas echter komt er van dat stoere voornemen bij dit soort meisjes weinig terecht. Er zit namelijk de denkfout in dat de ander zich rekenschap geeft van je bestaan. Ik koerste flink en vastberaden en in een stevig tempo rechtuit maar zag me op het allerlaatste moment alsnog gedwongen schielijk uit te wijken om een frontale aanrijding te voorkomen. De beide tegenligsters keken niet eens. Ik was gewoon lucht.

maandag 8 september 2008

Het kleine geëerd

Overmorgen gaat in Genève de Large Hadron Collider in werking, 's werelds kostbaarste apparaat om dingen kapot te maken. Elementaire deeltjes worden met een noodgang door een 27 kilometer lang circuit gejaagd (ze doen nog geen tienduizendste seconde over één rondje) en op strategische punten getreiterd met een hagelschot van andere deeltjes. Botsende deeltjes spatten uiteen in nog weer kleinere onderdelen, waarvan sommige maar een heel vluchtig zelfstandig leven beschoren is. Dat klinkt heel gemeen allemaal, maar de rondzwierende partikels vieren hun kortstondige vrijheid uitbundig met het tekenen van sierlijke, bijna frivole doedeltjes in een wolk van waterstof.

Omdat de botsingen in de nieuwe collider harder gaan dan ooit is de hoop dat ook ongrijpbaarder deeltjes dan ooit aangetroffen zullen worden; bijvoorbeeld het Higgs boson, dat een sleutelrol vervult in de theorieën over de vroegste momenten in het ontstaan van de kosmos, maar dat nog nooit is waargenomen. In zeker zin zou je kunnen zeggen dat de LHC een soort secularisatiemachine is. Als het bestaan van het Higgs boson ermee wordt aangetoond verwijdert de fysische scheppingsleer, die het steeds meer van geloof moet hebben naarmate ze dichter bij de ultieme oorsprong komt, zich weer een stap weg van het religieuze in de richting van het weten. Er is zelfs een heel klein sprankje hoop dat er bewijs gevonden kan worden voor de snaartheorie: de idee dat alle materie is opgebouwd uit onvoorstelbaar kleine, vibrerende snaartjes. Dat zou natuurlijk prachtig zijn. Met één grote boog sluit zich dan de fysica over millennia heen en zijn we helemaal terug bij Pythagoras' Harmonie der Sferen. Heel de werkelijkheid blijkt muziek te zijn.

Mag dat onzekere, eeuwen en eindeloosheden omspannende avontuur zes miljard dollar kosten? Natuurlijk. In een project als de LHC openbaart zich het wezen van de mens op zijn allermooist, in zijn onbegrensde drang de werkelijkheid te begrijpen. Bovendien, op plekken waar hij zich op zijn lelijkst laat zien zijn de kosten aanzienlijk hoger; in Irak bijvoorbeeld, waar Bush' willekeurige oorlog nu al bijna honderd keer zoveel heeft gekost als de kosmische bowlingbaan in Genève. Over mensenlevens zwijgen we dan nog beleefd; niettegenstaande de doemvisies van enkele zwartkijkers, die menen dat de Spielerei met de bouwstenen van materie en energie zomaar een zwart gat zou kunnen opleveren (dàg Genève!), is de kans dat er in de LHC doden gaan vallen uitermate klein.