woensdag 15 oktober 2008

Klavier

"Pianisten, dat zijn musici met twee linkerhanden."

(Conclusie van een discussie onder strijkers over de vraag waarom we niet zo van pianomuziek houden.)

dinsdag 14 oktober 2008

Bezoek

Ik begrijp niet hoe u het klaarspeelt nog zo rustig achter uw peeceetje te zitten. Het is gewoon onverantwoord! Net als ieder zinnig mens zou u ademloos gespannen aan de buis gekluisterd moeten zijn, die is afgestemd op CNN, in afwachting van het meest sensationele breaking news ooit dat nu elk moment kan breaken! We weten immers uit zeer betrouwbare bron dat vandaag een reusachtig buitenaards ruimteschip zal verschijnen boven het warm-kloppende hart van de moderne wereld – inderdaad, Alabama. Kennelijk houden de buitenaardsen van Dixieland. Maar wacht even; nee, het kan ook Kaapstad zijn; of nog weer heel ergens anders; de buitenaardsen zijn, zoals wel vaker, niet heel goed in het verstrekken van concrete informatie.

Blossom Goodchild, die naast actrice en musicalzangeres toevallig ook een direct voice channeling medium is, professioneel nog wel, al weet ik niet aan welk instituut ze haar diploma heeft gehaald, heeft het allemaal hoogsteigens voorzien. Normaal keuvelt ze met een Indiaanse geest genaamd Witte Wolk, maar dit keer is mevrouw Goodchild in contact geraakt met een buitenaardse gezelligheidsclub die zichzelf de Federatie van Licht noemt. Men hoopt maar dat dat niet midden in een podiumoptreden gebeurde, want zoiets kan een gevoelige vertolking toch danig in de war sturen lijkt me. Wat ervan zij, de Federatie heeft haar bericht dat men van plan is de Alabamese hemel (of die van Kaapstad, of nog heel ergens anders) op te fleuren met dat imposante ruimtevaartuig, dat daar als een baken van liefde, licht en vrede maar liefst drie dagen zijn schaduw zal werpen. Hopelijk is de carbon-footprint van het gevaarte enigszins acceptabel. Overigens zal er, zo melden de buitenaardsen ietwat flirterig, verder geen sprake zijn van contact. Men komt alleen maar even langs om zich te laten zien, als een soort interstellaire potloodventer. De rest komt later wel – iets wat je uit de mond van potloodventers meestal liever niet hoort.

O zeker, de media zullen zich inspannen om het gebeuren verborgen te houden, waarschuwt de Federatie - want zo zijn ze wel, die media – maar het zal ze niet lukken! Tegen wil en dank zal Philip Freriks ons zostraks moeten vertellen over de verbazingwekkende gebeurtenissen op het zuidelijk halfrond. Heeft ie eindelijk eens een echte reden om niet uit zijn woorden te komen. Nee hoor, mevrouw Goodchild weet ook wel dat Alabama niet op het zuidelijk halfrond ligt, haast ze zich ons te verzekeren in een voetnoot bij haar opwindende aankondiging – ze heeft daarover meteen contact opgenomen met de Federatie, want als secretaresse van de aliens wil je natuurlijk wel zeker weten dat je notulen kloppen. De Federatie heeft haar vriendelijk en geduldig uitgelegd dat Alabama in lang vervlogen tijden wèl degelijk ten zuiden van de evenaar lag. Ach ja, zullen de federalisten glimlachend tegen elkaar hebben gezegd, ze is tenslotte blond… Als u er meer van weet stelt mevrouw Goodchild het niettemin op prijs als u dat aan haar doorgeeft, want het is altijd fijn je historische topografie een beetje op orde te hebben, zelfs als je een Shirley Valentine spelend professioneel medium bent.

Het belooft dus een interessante dag te worden vandaag. Zo eentje die u zich nog heel lang gaat herinneren, net als de moord op Kennedy, 9/11, de begrafenis van André Hazes en de liquidatie van de mus in de dominohal. Over veertig jaar zult u mensen nog kunnen vertellen waar u was en wat u deed toen het Grote Gebeuren een aanvang nam. Tenzij u zestig bent of zo natuurlijk, dan vertelt u over veertig jaar waarschijnlijk niet meer zoveel, althans niet zonder tussenkomst van een direct voice channeling medium. Maar interessanter nog zal zijn te zien hoe creatief mevrouw Goodchild morgen uit de hoek komt in het onwaarschijnlijke geval dat Alabama (of Kaapstad of waar dan ook) vandaag verschoond blijft van onaardse verkeersdrukte, en Philip Freriks vanavond gewoon weer het hele journaal volstottert over de kredietcrisis.

maandag 13 oktober 2008

Austen remix

Het valt niet mee om het te bekennen, maar zelfs voor een recidiverende Austen-junkie als yours truly is er een grens aan de frequentie waarmee Pride-and-Prejudice-de-serie opnieuw bekeken kan worden, de film idem dito, of het boek herlezen. Maar voordat cold turkey kan intreden is daar de methadonkuur die Lost in Austen heet. Een blasfemisch staaltje top-TV dat zich ongeveer tot P&P verhoudt zoals The Life of Brian tot het Nieuwe Testament. Bij toeval op het spoor gekomen heb ik me er de afgelopen twee avonden tranen bij gelachen.

Hoofdpersoon is de Austenverslaafde Amanda Price, die haar leventje in modern London maar een treurige bedoening vindt vergeleken met de wellevende en galante romantiek van P&P, en haar lompe, boerende, bankhangende vriendje op zijn best een erg aards substituut voor Darcy. Wanneer ze zich op een avond, alleen thuis, weer eens laaft aan een shot Bingleys & Bennets hoort ze een vreemd geluid in de badkamer. Als ze een kijkje gaat nemen treft ze daar, tot haar begrijpelijke verrassing, Elizabeth Bennet aan. Naar blijkt is een deel van de badkamerwand geheel op zijn Narnias een deur die naar de zolder van de familie Bennet leidt – een toch wel opmerkelijke omstandigheid die de makers van de serie gelukkig op geen enkele manier pogen te verklaren.

Uiteraard kan Amanda haar nieuwsgierigheid niet bedwingen, maar na een kijkje in huize Bennet, waar haar kleding de nodige aandacht trekt (“is this the latest fashion in town?”) ontdekt ze dat de weg terug is afgesloten, en Elizabeth Bennet achtergebleven in modern London. Onmiddellijk wordt ze bevangen door het besef van haar indrukwekkende verplichting aan al haar medeverslaafden: in afwezigheid van de hoofdpersoon moet ze ervoor zorgen dat een van de beroemdste love stories uit de wereldliteratuur toch de gewenste afloop heeft. Maar dat valt lang niet mee. Zo heeft ze al snel in de gaten dat Mr. Bingley helemaal geen oog heeft voor Jane Bennet, maar veel meer geïnteresseerd is in Amanda zelf – een voorkeur waar ze hem op nogal on-Austense wijze van geneest. Langzaam maar zeker zien we de welbekende plot uit de rails lopen om via een reeks van gemiste wissels en frontale botsingen tenslotte volledig te ontsporen. Ondertussen worden we vergast op geestrijke Austenpastiches, inclusief overpeinzingen als: “Shocking business, bleeding on a fellow’s rugs, this time of year… What would Lady Catherine say?”

Dit is niet helemaal de P&P die u dacht te kennen, of beter gezegd, helemaal niet, maar deze geïnspireerde, vlijmscherpe flight of fancy is een must voor iedere Austenist die Mr. Darcy wel eens ‘Tinkywinky’ wil horen zeggen.

zaterdag 11 oktober 2008

Gevallen engel

Als doorgewinterde atheïst kan ik nochtans sommige randverschijnselen van religie, zoals de Messiah, de kathedraal van Den Bosch en vrij met Kerstmis, best waarderen, maar religie als maatschappelijk fenomeen boezemt me vooral weerzin in. Waarom zou je je gezond verstand op de tocht zetten door maar zo’n beetje te gaan zitten geloven in dingen die je niet kunt zien en niet kunt horen en ook niet anderszins kunt verifiëren, maar die er misschien toch zouden kunnen zijn? En daar dan ook nog eens anderen meer lastig vallen? Onzichtbare dingen die er misschien zouden kunnen zijn zijn er talloze, zoveel als je verzinnen kunt om precies te zijn – ik word al moe als ik eraan denk. In heel veel van die dingen gelooft bijna geen mens, en waarom zou je dan voor één bepaald onzichtbaar, onhoorbaar, onverifieerbaar ding een uitzondering maken? En daar anderen mee lastig vallen? Omdat het in een oud boek staat? Kom zeg, de sprookjes van Grimm gaan ook alweer een tijdje mee, en toch is het aantal volgelingen van Repelsteeltje nog steeds erg beperkt.

Richard Dawkins denkt er net zo over, maar dan erger. Toch bleek lezing van zijn boek The god delusion, in het Nederlands vertaald onder de zo ontzettend foute titel God als misvatting, een verdeeld genoegen. Want Dawkins is helaas met enige regelmaat het soort vriend dat je zelfs je dierbaarste vijanden niet zou toewensen. In The God delusion trekt hij met onverholen woede en luie kort-door-de-bocht redeneringen van leer tegen de gelovigen. Gematigden en fundamentalisten worden zonder pardon op één hoop geveegd en de beledigingen vliegen in het rond. Aan literatuurverwijzing doet Dawkins evenmin als aan zelfbeheersing. Zo maakt hij zichzelf wel een heel gemakkelijke prooi voor zijn opponenten. Die hebben inmiddels dan ook de markt bestormd met weeïge tegentraktaatjes die vooral uitblinken in superieur-zelfgenoegzame kalmte, zodat de kippendrift van Dawkins nog eens extra scherp in reliëf komt te staan. Een bijzonder maagomkerend specimen is een frutsel van John Cornwell, getiteld Darwin’s Angel.

Cornwell is een katholiek van het type Verloren Zoon, die na twintig jaar van dwaling terugkeerde in de moederschoot van de Kerk. Dan weet je al genoeg – we hebben hier van doen met een wanhopeling die het zonder de troost van de Here niet af kon. Zijn traktaatje is in een kokette briefvorm gegoten, een brief van Dawkins’ bezorgde beschermengel aan Dawkins zelf. Het is een glibberig-handig geschreven boekje, dat zelfs een paar vilein-komische vlagen van humor bevat, zodat de lezer maar al te gemakkelijk uit het oog verliest hoe de schrijver als een behendig skiër om de werkelijke kernvragen heen slalomt. Cornwell vangt Dawkins honderd vliegen af, meer dan eens terecht, maar kijkt er zelf wel voor uit om ook maar één helder standpunt in te nemen en gaat nergens in op de uitdagende stelling die de kern is van The god delusion: dat er voor de goddelijke waarheid die gelovigen poneren geen greintje bewijs is en dat god niet meer is dan een potentieel gevaarlijke waanvoorstelling.

Het wierookgordijn dat Cornwell optrekt walmt al geurig uit op de eerste paar bladzijden. Met adembenemende hypocrisie plaatst hij religie op één lijn met kunst, muziek en poëzie – net als die uitingsvormen, en net als wetenschap zelf, is religie toch immers een manier om het alledaagse te verbinden met het mystieke en transcendente; een daad van verbeelding? (Merk op hoe de misleidende suggestie wordt geplaatst dat het transcendente iets is wat buiten onze hoofden bestaat). Dawkins, concludeert Cornwell, is gewoon bang voor de verbeelding. Bovendien, zo voegt hij toe, zijn de meeste gelovigen veel nuchterder en verstandiger dan Dawkins het voorstelt. ‘Sensible believers’ accepteren Darwins natuurlijke selectie en geloven niet letterlijk in het scheppingsverhaal. Hier begint een betooglijn die uiteindelijk zal eindigen in Cornwells lachwekkende poging om god te omschrijven: god is de gedachte-zonder-brein die aan het begin van alle dingen staat.

Dat zal wel. Toch vermoed ik dat de gelovigen op de Veluwe, de pelgrims in Mekka en de MacCainstemmers in de VS een beetje moeite hebben zich te herkennen in zo’n intellectuele woordgrap die op de keper beschouwd volkomen betekenisloos is, eigenlijk alleen maar een herhaling van de vraag. In de moderne tijd is god vaak een god-van-de-gaten, teruggedrongen in die lege hoekjes en nissen die de wetenschap nog niet met antwoorden heeft kunnen stofferen; Cornwell drijft hem voor de zekerheid nog wat verder terug, tot in de ultieme lege ruimte waar de wetenschap hem waarschijnlijk nooit zal inhalen, die van de vraag hoe het allemaal begonnen is. Daar huist Cornwells god, de Begingedachte, de Onverklaarde Verklaring die de reden is dat onze natuurwetten allemaal zo prachtig kloppen dat het huidige heelal en de mensheid kunnen bestaan. Het wordt vanuit die duizelingwekkend cerebrale en ijzingwekkend ver in de tijd verwijderde abstractie echter wel een heel grote sprong naar de zoetsappige Jezus die hij aan het eind van zijn boekje toch ook nog graag ten tonele voert; een ongerijmdheid die hij zelf niet lijkt op te merken. Hij drijft liever de spot met Dawkins’ beeld van de Grote Pappa in de Hemel, maar ik durf er iets om te verwedden dat Dawkins aanzienlijk dichter staat bij de voorstellingen van de gemiddelde, niet theologisch onderlegde gelovige dan Cornwell. Cornwell is gewoon een draaikont die zich in een enorme, mystificerende woordenbrij los probeert te wurmen uit de klemmende vragen van de wetenschap en haastig de benen neemt naar de uithoek waar de wetenschap ophoudt; al hollende struikelt hij regelmatig over de weelderige rokken van zijn pseudodiepzinnigheden, en graait hij naar strohalmen om niet helemaal om te vallen.

Weinig gelovigen zullen beamen dat ze god zien als ‘de hersenloze Idee aan het begin van het Universum’, en evenmin zullen velen hun geloof zien als louter beeldspraak, een symbolische verbeeldingsdaad die uitwisselbaar is met Shakespeare, Beethoven of Grunberg. Nou ja, misschien sowieso niet met Grunberg. Cornwell gaat volledig voorbij aan de waarheidsclaims die in elke religie ingebakken zitten en die in meer of mindere mate door alle gelovigen onderschreven worden – hemzelf incluis, want god is de basale premisse die hij nergens in zijn boekje loslaat, die als een toenemend irriterende dreun onder al zijn zinnen voortstampt. Zoals Dawkins terecht constateert beweren religies dat ze iets zeggen over de werkelijkheid; ze verkondigen geen literaire, maar letterlijke waarheden en begeven zich daarmee op het terrein van de wetenschap. Trouwens, als het echt waar is dat de meeste gelovigen hun geloof alleen maar zien als een artistieke metafoor, een vrije en dus uitwisselbare verbeeldingsdaad, hoe komen we dan aan confessionele regeringspartijen? We hebben toch ook geen partij die het rustieke landleven wil bevorderen op grond van Beethovens Pastorale? En terwijl kunstwerken wel worden gecensureerd vanwege religieuze gevoeligheden hebben we het nog niet meegemaakt dat de kas van de Pinkstergemeente in beslag werd genomen omdat Shakespeare zei dat ‘gold, this yellow slave, will knit and break religions’. Religie is geen daad van verbeelding maar een onderdrukker van verbeelding en meer nog een symptoom van gebrek aan verbeelding.

Het woord atheïst valt in Cornwells traktaat voor het eerst op pagina 14, met een briljante retorische coup-de-théâtre, want het verschijnt meteen in één zin met de naam Stalin. Natuurlijk komt hij er verderop op terug, op dat leugenachtige theïstische stokpaardje over hoe Stalin, Hitler en Mao bewijzen dat atheïsme in combinatie met wetenschap heel gevaarlijk kan zijn. Met kenmerkende hypocrisie laat Cornwell eerst dit statement vallen, zodat het zijn effect kan hebben voordat hij er een beetje op gaat afdingen, want hij weet natuurlijk ook wel dat Hitlers rassenleer met wetenschap helemaal niets van doen had. Het belangrijkste vergeet hij echter, namelijk dat Hitler, Stalin en Mao beslist geen atheïsten waren. Ze waren fanatieke exponenten van een alomvattende staatsreligie, inclusief onverzettelijke dogma’s, massale gebedsbijeenkomsten, bedevaartsoorden, onfeilbare leiders en heilige boeken. Inclusief ook de typisch religieuze onderdrukking van de verbeelding. Hun vervolging van allerlei religieuze groeperingen was geen onderdrukking van gelovigen door atheïsten maar de zoveelste strijd van de ene religie tegen de andere; zij onderscheidde zich in niets van de middeleeuwse strijd die de christenen tegen de muselmannen voerden, of de katholieken tegen de protestanten.

Het is amusant Cornwell onderweg te betrappen op de nodige pot-en-ketelmomenten. Hij verwijt Dawkins dat hij verzuimd heeft de bijbel en de grote theologen uitputtend te bestuderen, en dat zijn bronnen voornamelijk bestaan uit dichters en romanschrijvers. Om zijn eigen boekje vervolgens te larderen met talloze citaten – van dichters. Hij bespot Dawkins om zijn opwinding over een geval van religieuze moord op een Inca-meisje, dat immers ‘al 500 jaar geleden is’, maar verwijt hem dat hij geen diepgravende studie heeft gemaakt van een boek dat nog meer dan 1000 jaar ouder is. Hij beschuldigt Dawkins van ‘provincialisme’ omdat hij vrijwel alleen over het christendom schrijft, en schrijft vervolgens zelf alleen maar over het christendom.

Naarmate het boekje vordert komt Cornwells reactionaire agenda duidelijker in beeld en wordt de toon steeds meer die van een zalvende preek. Christus’ voorbeeld van alomvattende liefde wordt in fondantkleurtjes neergepenseeld, waarbij de boodschapper-engel gemakshalve maar even vergeet dat christenen zich veelal als het tegendeel van dat voorbeeld gedragen hebben en nog gedragen: Jezus’ wijze lessen worden, net als die van Mohammed en nog zo wat lichtende voorbeelden, vooral gebruikt om discriminatie en vrijheidsbeknotting te propageren en irrationele angsten te voeden. Dat het god is die ijdelheid en egoïsme temt is een al even onzinnige bewering: je hoeft maar één EO-programma te bekijken om te weten dat god het vehikel bij uitstek is voor egoïsme – jij bent zo uniek en bijzonder dat het almachtige opperwezen zich persoonlijk om je bekommert; en Cornwells boekje zelf is het bewijs dat ijdelheid niet verdwijnt onder gods alziend oog, maar er juist tot welige (en wollige) bloei kan komen.

vrijdag 10 oktober 2008

Autorij

Gisteravond aten we een beetje later dan normaal. Dat kwam omdat het filevrije dag was en de kok dus wat langer dan normaal in de file had gestaan. Er stond al met al op deze lovenswaardige actiedag zes kilometer file meer dan normaal in de donderdagavondspits.

Goed gekozen, die naam filevrije dag, met ongeveer hetzelfde gevoel voor kleine nuances en grote mogelijkheden dat graatloze van graatvrije kabeljauwfilets onderscheidt. Bij de volgende filevrije dag dus graag de campagneslogan aanvullen met een variant van de disclaimer die op pakjes graatvrije vis allang gewoon is: “Ondanks zorgvuldig de-fileren kan onbedoeld een file-tje zijn achtergebleven.”

dinsdag 7 oktober 2008

Uitzichtloos

In Dubai is the sky the bloody limit. Een wolkenkrabber van 818 meter hoog is nog niet klaar of de volgende van een complete kilometer is alweer bedacht. Waarom willen mensen in vredesnaam in Dubai, of all places, zulke hoge torens bouwen? Voor de Dubaiski's zal het antwoord wel simpel zijn: because we can. Terwijl het grootkapitalisme wereldwijd de ene oorvijg na de andere incasseert holt men in Zandbak-aan-Zee nostalgischerwijs nog maar eens een extra rondje in een allang gelopen race, de race die de autoindustrie al decennia van een bloeiend bestaan verzekert, de race om wie de grootste heeft. Terwijl onderzoek door deskundige mensen die hun neus beroepshalve in onfrisse plaatsen steken toch onomstotelijk heeft aangetoond dat niet lengte, maar dikte de doorslaggevende factor is. Je kunt dus beter de breedte ingaan, iets waarvoor in Dubai meer dan genoeg plaats is. Trouwens, al is die er niet, dan maken ze gewoon wat extra ruimte door voor de kust een of ander fake eiland op te spuiten, in de vorm van de wereldkaart, een palmboom, de tulband van Mohammed of het achterwerk van David Beckham. Hang out with the rich and famous at Asscrack Villas.

Wat erger is, is dat de mensen die straks uit hun peperdure penthouse of kantoor op de 250ste verdieping of daaromtrent naar buiten staren terwijl ze hopen dat hun oren op enig moment weer open zullen ploppen, ontdekken wat je van tevoren kunt bedenken: er is niks te zien. Geen fluit, geen bal, geen ruk, geen zier. Vanaf het Rockefeller Center heb je tenminste nog inkijk in het eindeloos fascinerende labyrint van een krioelende metropool waar echt iets gebeurt en waar architectuur staat die het aanzien waard is, met het biljartlaken van Central Park, de groene glooiingen van New Jersey en de blauwe glinstering van de oceaan als achtergrond en erboven een lucht waarin wolken en zon hun eindeloos afwisselend spel spelen. Vanaf de uitspanselverscheurende Burj Dubai zie je aan de ene kant een paar fantasie-eilanden waar een deprimerende collectie van heinde en verre aangereisde nouveaux-riches en parvenu's op een kluitje is gaan zitten om in gedeelde wansmaak naar elkaars gedrochtelijke vinexpaleisjes te staren terwijl ieder zich angstvallig afvraagt of de eigen boot nog steeds de grootste is; en aan de andere kant zie je zand, zand en nog meer zand. Boven dat alles een strakblauwe, smoorhete hemel waar ook al nooit iets in gebeurt. Welcome to Boredom Tower – zelden stegen we zo hoog met zo weinig reden.