Wilton House. Het klooster dat hier ooit stond overleefde als zovele Henry’s kerkrevolutie niet, en op de fundamenten verrees een Tudor landhuis voor de Herberts - politiek bedreven ladderklimmers die de ene dag baron Montgomery werden, en (letterlijk) de andere graaf Pembroke. Vervolgens brandde hun huis goeddeels af, maar de Engelse adel weet van de nood altijd een deugd te maken. Prompt werd Inigo Jones ten tonele gevoerd om Wilton te voorzien van een van de fraaiste Palladiaanse façades in Engeland. Met de behouden of herbouwde Tudorgevels en de neogotische kloostergang die Wyatt in de negentiende eeuw nog toevoegde vormt ze een even eclectisch als aangenaam geheel.
De huidige, achtiende graaf van Pembroke is een appetijtelijke jonge dertiger met een stoere hollywoodheldenkop en een decolleté vol bruisend borsthaar, getuige de fotoportretten die in de schaarse voor publiek geopende zalen welhaast even talrijk aanwezig zijn als de statige Van Dijcks. Volgende maand gaat hij trouwen met een blonde bimbo, helemaal bij-de-tijd. Niettemin heeft hij, na het overlijden van zijn vader, zijn ongetwijfeld flitsende baan bij een Londens designbureau vaarwel gezegd om zich fulltime aan het voorvaderlijk erfgoed te wijden. Of het zijn stemming goed heeft gedaan vragen we ons af, nadat hij ons op gedeprimeerd matte toon welkom heeft geheten in de introfilm die in de oude rijschool bezijden het huis als opmaat voor het bezoek wordt vertoond.
Voor de suppoosten in de Single en Double Cube Rooms zijn de voorvaderen even levend als de jonge graaf zelf. Een verhit debat ontspint zich over het reusachtige familieportret dat in de Double Cube Room boven de enorme sofa hangt. Te midden van rijzige, blondgelokte, pruillippige zonen ontwaren we daar het geschrokken dronkemansgezicht van de vierde graaf. Maar is de vrouw aan zijn zijde zijn geliefde Susan de Vere, die al dood was toen het schilderij werd gemaakt, of toch de opportunistische Anne Clifton, de powergirl-avant-la-lettre die na haar kwam, en die de graaf alleen maar trouwde omdat ze een machtige bondgenoot nodig had om de noodzakelijke wetswijziging tot stand te brengen die haar een verloren erfenis terug zou bezorgen? Het raadsel is niet opgelost, en zal dat ook vandaag niet worden.
De collectie is imposant, maar in deze veelheid tentoongespreid valt het koele en sjabloonachtige karakter van Van Dijcks portretkunst onvermijdelijk op, en in al zijn barokke grandeur kan het zich niet meten met een piepklein, frugaal zelfportretje dat weggestopt hangt in een hoekje van de Little Ante Room. Frans van Mieris, nooit van gehoord. Maar uit het inktzwarte duister van eeuwen doemt een waar en levend mensengezicht op, dat me met koolzwarte ogen vorsend aankijkt. Lang kijk ik terug. Vreemde verbondenheid.
Buiten is alles Engelse idylle. De natuur is met zekere hand binnen de perken van de menselijke esthetica gedwongen; vergezichten zijn nauwkeurig gecalculeerd, de diversiteit van boomsoorten is even onwaarschijnlijk als onnatuurlijk, met immense, oeroude ceders op het gazon, en te midden van dat alles klatert een riviertje dat wordt overspannen door de fameuze Palladian Bridge. Inigo Jones’ meesterlijke gevel licht zachtjes en vriendelijk op in de middagzon. Hier zou ik dagen kunnen zitten, met geen ander doel dan kijken en zijn, en ik ben vreselijk jaloers op die jonge graaf, bimbo en depressies ten spijt.
woensdag 5 mei 2010
Huisbezoek
dinsdag 20 oktober 2009
Bijbelstudie
Vroeger, toen ik een knulletje op de lagere school was, mocht ik graag op bezoek gaan bij oom Bert en tante Mien, die in mijn vaders ouderlijk huis woonden: een ouderwets boerderijtje compleet met opkamer en het soort golvende daklijnen die voor de voorbijganger schilderachtig en voor de eigenaar zorgwekkend zijn. Oom Bert had bovendien altijd geweigerd over te gaan op zo'n nieuwerwetse WC-pot, dus de stoelgang speelde zich af op een houten poepdoos halfweg de koeienstal – waar je dan ook altijd weer je hand in de bek van een kalf moest steken, dat daar zo lekker op sabbelde terwijl het je met grote, verdrietige ogen aankeek. Boven die stal was een flinke hooizolder waar je jezelf kon wegmaken tussen de balen. Alsof dat allemaal niet genoeg was, was de boerderij omgeven door uitgestrekte weilanden ideaal voor eindeloos gevlieger; was er een belendende beek waarop 's winters fijn geschaatst kon worden (vooral onder het spoorbruggetje door was spannend); en was er aan de overzijde van die beek een klein bos waarin het heerlijk hutten bouwen was. Oom was een goedmoedige lomperik, tante een zorgzame zij het was chaotische Truus de Mier die volvette melk serveerde vers uit de stal, en met hun beide kinderen kon ik het prima vinden.
Toch was er maar één alles overtreffende reden waarom ik zo graag in dat oude boerderijtje kwam, en die had met al het bovenstaande niets te maken. In het kastje onder de TV in het piepkleine zitkamertje stonden twee kloeke, in rood leer gebonden boekwerken (meteen ook de enige boeken in huis). Het waren een Oud en een Nieuw Testament, geïllustreerd door Doré. Kalveren, poepdoos en hooizolder ten spijt, en zonder iets onaardigs te bedoelen over neef, nicht, oom en tante, deed ik niets liever dan met die folianten wegkruipen in een hoekje van de bank om me te verliezen in de theatrale uitspattingen van de grote graficus. Miljarden ragfijne lijntjes verkondigden een eindeloos geduld en maakten met elkaar een wereld die bij tijden geheimzinnig was en dan weer eng, majestueus of gruwelijk, en waaraan ook een randje schuldig genoegen kleefde, want veel van de figuranten waren nogal schaars gekleed en Doré tekende mooie lijven.
Ik moest denken aan die genoeglijke uurtjes met die twee boeken toen ik in het Volkskrant Magazine een uittreksel zag uit de binnenkort te verschijnen uitgave van Genesis volgens Roger Crumb. De Bijbel illustreren kan op vele manieren, dat blijkt maar weer. Ook Crumb blinkt uit in geduld en een veelheid van zwarte lijntjes, maar Doré zou zich een petit chapeau geschrokken zijn van het gebodene. Niks wapperende gewaden en sierlijke, atletische lijven; niks operateske gebarentaal. Ook niks dat lijkt op de bijbelverhalen in stripvorm die je van de EO kreeg opgestuurd wanneer je de rebus van EO Kinderkrant had opgelost, en waarin de profeten en heiligen er allemaal uitzagen als Hollywoodacteurs die hun baard langdurig door een prijzige kapper in een gepast sacrale vorm hadden laten trimmen. De bijbelfiguren van Crumb leven in een bonkige, rauwe werkelijkheid en laten onverschrokken zien hoe vreselijk en hoe lelijk heel veel is van wat er in dat zogeheten goede boek geschreven staat. Seks en geweld, daar draait het ook in de heilige schrift allemaal om. Kleine mensjes leiden ellendige levens bestierd door een god die er genoegen in schept willekeurige regels uit te vaardigen ("niet omkijken, want dan verander ik je in een zoutpilaar") en ziekelijke psychologische experimenten uit te voeren ("als je wilt laten zien dat je van me houdt, offer dan je zoon aan me").
Nog weer heel anders was het afgelopen zondag in het Valkhofmuseum, waar honderd pagina's uit het getijdenboek van Katherina van Kleef te bewonderen zijn die normaal in de Pierpont Morgan Library in New York huizen. Het was dringen geblazen, want het talrijk aanwezige publiek fladderde als een vlucht doorgeslagen eksters af op de goudglanzende juweeltjes in de bewasemde, vetbevingerde vitrines. De meesterwerkjes, hoe minuscuul ook, slepen je pardoes mee een andere wereld in, een wereld ver voorbij die van Crumb en Doré, waarin de maker en de eigenaar van het boek de Bijbel nog lazen als een weergave van feiten, niet alleen als een mooie kapstok voor het etaleren van hoge graveerkunst of een ideale aanleiding om het conservatieve establishment te choqueren. De meester van het getijdenboek sloofde zich niet uit met enkelvoudige penseelhaartjes en subtiele pigmenten om te laten zien hoe goed hij kon tekenen en wat een vaste hand hij had, maar omdat voor de Here alleen het beste goed genoeg was. Nou ja. Misschien toch ook wel een beetje om Katherina bij de les te houden tijdens de vrome uren en haar iets te geven waarmee ze collega adeldames de ogen uit kon steken. Ja voorwaar, de afbeelding bij het thema Barmhartigheid, van Katharina die aalmoezen uitdeelt aan de armen, blaakt van een soort narcistische zelfpromotie een Scheringa waardig.
Die mooie Doré bijbel heb ik, dwangmatige boekenverzamelaar die ik ben, tot mijn frustratie nooit meer ergens kunnen vinden; alleen maar een goedkope bundel waarin de gravures zelf in matige kwaliteit gereproduceerd zijn. Crumb komt daar eind deze maand natuurlijk naast te staan. Nou Katherina's getijdenboek nog, maar dat ligt wat moeilijker. Er is, zo vertelde een ingewijde me, een nieuw facsimile vervaardigd door een gespecialiseerde uitgever in Luzern – laat zulk priegelwerk maar aan de Zwitsers over. Een blik op betreffende website levert zorgwekkende informatie op over van alles, behalve prijzen. Er is ook nergens zo'n fijne winkelwagen-knop te bekennen. De boodschap dat interessante financieringsregelingen getroffen kunnen worden om de aanschaf van een facsimile mogelijk te maken doet weinig goeds vermoeden. Minder nog het feit dat alleen de informatiebrochure die belangstellenden kunnen opvragen al een lieve achtennegentig euro kost. Mijn ingewijde bron wist te vertellen dat het begeerde artikel zelf de handel in gaat voor een slordige tienduizend euro. Da's misschien wel wat veel voor een boek. Zelfs als het een perfect duplicaat is van het origineel. Maar dat is het niet. Ik heb het gezien, want in het Valkhofmuseum ligt een exemplaar ter inzage. Het goud is te vlak, het mist de roodglans en het reliëf van de oorspronkelijke versieringen; en de kleuren zijn te flets, hebben net niet de sprankeling en frisheid die in het eigenlijke boek al bijna zeshonderd jaar zo verbazingwekkend mooi bewaard zijn gebleven. Dus dan nog maar eens een keer het Mexicaanse griepgevaar getrotseerd en de neus tegen die vettige vitrinekasten geduwd...
Gepost door Martien op 16:31 View Comments
zaterdag 1 november 2008
Rijksmuseum wordt Tiffany-filiaal
Circus Hirst is geland. Het Rijksmuseum wil tenslotte ook wel eens een douceurtje in deze bittere tijden van eeuwigdurende verbouwing, en bovendien trekt Hirst, zo meent men daar, een nieuw publiek naar het museum – de waan dat kunst voor iedereen moet zijn en dat iedereen naar kunst moet kijken is maar moeilijk uit te roeien. Hirsts obscene diamantschedel gaapt ons al wekenlang vanuit advertenties aan en nu dan, als u wilt, ook van aangezicht tot aangezicht, van tussen twee bewakers, terwijl u ongetwijfeld benauwd ingeklemd in een menigte mede-kermisgasten langsschuifelt. Een confrontatie met de dood, zegt de kunstenaar ermee bedoeld te hebben, maar dat is een beetje jokken. Als er ooit een bon vivant is geweest is het Hirst wel, en zijn nieuwste eksterfeest heeft net zoveel met de dood te maken als Yab Yum, de André van Duinshow of Robert Schoemacher. Zet For the love of God je aan het denken? Misschien, maar dan toch hooguit over de toestand van de kunst in de 21ste eeuw, en als kunst over de kunst gaat is het net als wanneer journalisten over journalistiek schrijven en schrijvers over schrijverschap: komkommertijd.
Dat Hirst een handige marketeer en een artistieke windbuil is daagt intussen links en rechts wel, ook in de Volkskrant, die toch gewoonlijk best ver wil gaan om esoterische excessen in de kunst te promoten. Het is alleen jammer dat de twijfels over deze potsenmaker vervolgens zes kolommen breed worden uitgesmeerd (waarin de verslaggeefster zich, kennelijk nogal in de war door de ervaring, beklaagt over de extreme eisen die Hirst stelt aan het uitlenen van zijn meesterwerk, zoals een verbod te fotograferen, terwijl dat in mijn ervaring in elk museum van kracht is. De rest, de bewakers en wat al niet, is natuurlijk gewoon onderdeel van de zorgvuldig gemanagede hype, niet anders dan de operadiva die vergulde badkranen eist en elke avond drie sinaasappelen, rechtstreek ingevlogen nadat ze die ochtend zijn geplukt in de voorhof van de Mesquita in Cordoba. Als je maar flink op je strepen gaat staan denken mensen vanzelf dat er iets bijzonders aan de hand is).
Alsof het niet genoeg is doet de zaterdagbijlage er nog een paginagroot interview bovenop, waar de meester onzin uitkraamt van het soort dat zijn veilingstunt heeft bewezen dat alle kunstenaars hun werken direct kunnen verkopen zonder tussenkomst van galleries - alle kunstenaars die Hirst heten, bedoelt hij natuurlijk. Verder laat hij weten dat hij naar zijn eigen oordeel maar vier werken heeft gemaakt die echt goed zijn - 'de rest kun je weggooien', wat hem er niet van weerhouden heeft die rest in plaats daarvan toch maar voor vele tientallen miljoenen te verkopen. Het maakt niet uit, hij kan zeggen wat hij wil, want Hirst weet het als geen ander: àlle publiciteit is goede publiciteit; hij maakt de Volkskrant behendig medeplichtig aan het pimpen van zijn windhandel. Eén tienregelig berichtje was echt meer dan genoeg geweest, want meer zinnigs is er over For the love of God heus niet te zeggen. Maar ja, look who's talking. Pot en ketel.
"Nog nooit lokte een kunstwerk zoveel discussie uit,” blaat de interactieve website die inmiddels geopend is. Want dat is de hele kunst tegenwoordig, discussie uitlokken. Al die zwevende, klikbare talking heads, waartussen zelfs royalty te ontdekken valt en die je ook nog als een zwerm over de pagina kunt slepen, zijn intussen aanzienlijk onderhoudender dan het kunstwerk zelf – mis Ans Markus niet, die de spijker op zijn kop slaat. Jort Kelder was er natuurlijk ook als de kippen bij, je vermoedt dat onder dat strakke velletje de diamanten al readymade op het schedelbot zitten. Jeroen Krabbé vindt de glitterkop ‘een topding', en schrikt er niet voor terug Hirst te vergelijken met Shakespeare, die immers met de woorden van Hamlet de dode schedel van Yorick weer tot iets betekenisvols maakte. En for the love of god, Daphne Bunskoek heeft ook een mening en is ontroerd, wat me helemaal geen goed teken lijkt.
Ziedaar de kunst van Hirst. Zij ontstond niet toen hij die schedel opduikelde, niet toen hij die in platina liet modelleren, en ook niet toen hij hem geduldig beplakte met duizenden diamanten (of, waarschijnlijker, dat in een van zijn zes ateliers door zijn voetvolk liet doen) – de kunst van Hirst ontstaat pas op die website, waar de aangelokte kijkers met elkaar een verhaal bouwen dat van die schedel iets meer maakt dan een smakeloze, dure grap. Ik zeg er niks meer over, want dat mag niet blijkens de website als je het werk niet ‘echt’ gezien hebt. Grijp je kans dus, want 16 december gaat de schedel weer verder, naar (zo lees ik in de krant) 'de grote musea van Parijs, Berlijn, Dubai'. Dubai? Groot museum? Hoe dan ook, dit artefact kan nergens beter op zijn plek zijn dan in die gloeiende, zanderige trog van nieuw geld en dure kitsch - behalve in Las Vegas, misschien. Het akeligste van al is dat me na het beluisteren van vijf of zes van die praathoofdjes op de website ineens het gevoel bekruipt dat ik iets mis en dat ik heel snel naar het Rijksmuseum moet. Kijk, dàt is nou kunst…
Gepost door Martien op 11:58 View Comments
zaterdag 27 september 2008
Spookschilder
In Tate Modern loopt een overzichtstentoonstelling van werk van Mark Rothko, en die werd gisteravond besproken in het BBC kunstprogramma Newsnight Review. Je moet, zo hoorde ik de slissende curator eerder die avond behulpzaam uitleggen, lang voor zo’n Rothko-doek gaan staan, zodat het je ‘kan veroveren’. Als je er te snel langsloopt zijn het maar gewoon gekleurde vierkanten, maar als je er uitvoerig naar gaat sjtaren openbaren zich naar sjijn sjeggen ongekende betekenisjdiepten. Ik vermoed dat hier dan ongeveer hetzelfde mechanisme aan het werk moet zijn dat er voor zorgt dat vier bijgelovige mensen midden in de nacht in een donkere kamer spoken gaan zien. Voor mij is het een verloren zaak. Alle pogingen met stil ontzag naar dit soort werk te kijken worden prompt overweldigd door lachlust en hoofdschudden in het bijzonder, en meer in het algemeen door de stellige zekerheid dat we met zijn allen stapelgek zijn geworden. Als de winterschilder je woonkamerwand zo zou achterlaten zou je hem aanklagen, maar als er Rothko onderstaat kost het miljoenen en barsten de meer gevoelige beschouwers in tranen uit bij de aanblik. Nou ja, dat kan ik me eigenlijk nog wel voorstellen ook.
In Newsnight Review vertelde een sympathieke comédienne hoe ze het bezoek aan een zaal vol gitzwarte doeken (ik bedoel dat letterlijk, gewoon helemaal zwarte doeken) een enorm bevredigende ervaring had gevonden. De doeken hadden haar gedwongen rond te lopen en als ze rondliep zag ze de werken veranderen onder de verschuivende lichtval. Presentatrice Kirsty Wark en een van de andere studiogasten buitelden er overheen, tegen elkaar opbiedend in ruimhartige, bijdetijdse kunstminnendheid. Die penseelvoering! De transparantie! De ondoorzichtigheid! Het materiaalgebruik! De texturen! De toeren die Rothko uithaalde om zijn pigmenten goed te mengen! Tjonge, dacht ik, wat zijn we druk om met elkaar het verhaal te verzinnen dat van Rothko een grote kunstenaar maakt; want aan zijn doeken zal het echt niet liggen. Ik was blij met Ian Hislop, die de moed en de eerlijkheid had om te zeggen dat hij het allemaal leuke wanddecoratie vond voor een trendy restaurant, maar zich in zo’n museum serieus afvroeg waar hij nou eigenlijk naar stond te kijken.
Toch bleef er iets knagen, of beter gezegd iemand, want die comédienne was echt sympathiek en ik kon en wilde niet geloven dat ze daar maar zo’n beetje zat te liegen, dat haar enthousiasme alleen maar een kwestie was van keeping up with the Joneses. Ik geloofde liever dat ze die enorm bevredigende ervaring echt had gehad daar in die zaal vol zwarte doeken. Maar hoe dat te verklaren? Bestaat er misschien zoiets als een artistiek placebo-effect? Dat je jezelf zo hebt ingepeperd dat je grandioze kunst gaat zien dat je die ervaring vervolgens ook inderdaad hebt, ongeacht wat er aan de muur hangt? Of zijn er mensen die werkelijk innig bewogen kunnen worden door louter kleur en textuur? Maar waarom lopen die mensen dan niet in een chronische kunstzinnige extase door de wereld? Waarom staan ze niet, onderwijl uitdagende verkeerssituaties veroorzakend, midden op straat ademloos naar bladderende panden te staren, af en toe met een zakdoekje een ooghoek droogdeppend? Kleur en textuur zijn tenslotte overal, daar hoef je niet voor naar het museum. Kunst op zijn Rothkos ligt voor het oprapen, kijk maar. Het doet er blijkbaar dus toch toe waar het werk te zien is en wiens naam eronder staat, dat je er een catalogus van kunt kopen (leuk stalenboek voor de volgende opknapbeurt van de woonkamer), en er in televisieprogramma’s hoogdravende taal over kunt uitslaan. Zo eindig ik tot mijn leedwezen dan alsnog bij de slotsom dat in de zalen van Tate Modern de nieuwe schilderijen van de keizer hangen.
Gepost door Martien op 10:14 View Comments
Labels: Kunst
dinsdag 16 september 2008
Conserven
Damien Hirst vindt kunstgaleries maar snobistisch en elitair. Hij wil zijn diepe liefde voor de Kunst liever delen met een breed, gelijkgestemd publiek. Daarom verhandelt hij zijn helemaal niet snobistische of elitaire kunststukjes, vriendelijk geprijsd à tien, elf, twaalfmiljoen euro, vandaag heel democratisch bij Sotheby’s. Zodat ook gewone mensen als u en ik en Russische koppelbazen een kansje maken een kalf of haai op sterk water te kopen.
Zijn egalitaire nerinkje heeft de kunstenaar in één dag 141 miljoen euro in het laatje gebracht. Het is duidelijk dat Hirst niet alleen goed is in het inmaken van middelgroot vee en roofvissen.
Gepost door Martien op 19:13 View Comments
donderdag 11 september 2008
Nutsdenken
Gisteravond bij de BBC (dat onvolprezen instituut dat TV maakt voor mensen met een IQ hoger dan 80) was er uitvoerig aandacht voor de LHC (zie vorig bericht). Zo kwam een kankerspecialist aan het woord die het aan te zien was dat hij in zijn leven meer ellende had gezien dan goed is voor een mens, en die zich knorrig afvroeg wat dat ding ons gaat opleveren. Krijgen we er betere gezondheidszorg door, of lagere energieprijzen?
Alsjeblieft zeg. Geen kwaad woord over kankerspecialisten hoor, die van mij niet alleen de Balkenende- maar zelfs de Berlusconinorm mogen overschrijden, maar dat is natuurlijk een volslagen onzinnige vraag. Het is net zoiets als naar het Concertgebouworkest luisteren en je vervolgens erover beklagen dat het geen bijdrage levert aan de oplossing van het integratiedebat. Rijksmuseum restaureren? - Daar wordt het openbaar vervoer niet beter van. Et cetera.
De LHC, dat is l'art pour l'art. Het is een van die dingen die het leven zó interessant maken dat we liever geen kanker willen krijgen en er al helemaal niet aan dood willen gaan; die er, kortweg, voor zorgen dat we überhaupt kankerspecialisten nodig hebben. Niet zeuren dus! Genieten, reikhalzend uitzien, en je gelukkig prijzen dat je het allemaal mee mag maken!
Gepost door Martien op 17:53 View Comments
zaterdag 5 juli 2008
Kunstmin
Marcel Duchamp, alias R. Mutt: "Fountain" (1917)
Een oordeel over kunst mag ik mij niet aanmatigen, dat weet ik best. Victoriaans en Biedermeier schilderwerk heeft mijn hart gestolen, wat al gauw betekent dat je er in de ogen van de kenners uitziet als een Corry Konings adept die óók iets vindt van Sjostakovitsj’ Vijftiende kwartet. Misschien kan ik het een beetje goedmaken met Turner en de Italiaanse Renaissance, want daar houd ik ook van, maar eerlijk is eerlijk, de kunst heeft sedertdien hele andere en onvermoede diepten aangeboord. In 1917 signeerde Marcel Duchamp een urinoir, zond het in naar een tentoonstelling en voilà: kunst. Readymades, noemde hij ze, alledaagse objecten die kunst worden niet door een intrinsieke waarde of betekenis, maar simpelweg doordat ze in een museum staan of anderszins door hun context tot kunst verheven raken. De boodschap was helder, en eigenlijk bedoeld als kritiek op het onanistische kunstwereldje, maar dat hebben latere kunstenaars een beetje verkeerd begrepen. Die namen Duchamp liever letterlijk, want dan wordt kunst maken ineens een stuk minder moeilijk. Al heb je drie linkerhanden, of helemaal geen handen en ook geen talent als voet- of mondschilder; al ben je familiair belast met eczeemverwekkende allergie voor verfstoffen; het maakt allemaal niet uit. Al wat je nodig hebt is een goed verhaal, en een of andere kunstgoeroe die zo gek is het te geloven en het uit te dragen. Sommigen zijn daar meesters in, dat moet gezegd. Ik heb ooit een paar uur mogen doorbrengen met Rudi Fuchs in de academische soos van de UvA, en geloof me, de man is zo’n bevlogen pedagoog en zo’n behendig kunstfilosoof dat je daarna bereid bent een hondendrol op een poepschepje hoger aan te slaan dan de Sixtijnse Kapel.

Boven: Damien Hirst, "Mother and child divided" (1993); onder: Tracey Emin: "My bed" (1998)
Zo is het gekomen dat je tegenwoordig in een museum voor moderne kunst tussen de helften van een doorgezaagde koe doorloopt naar een lege zaal waar lichten willekeurig aan en uit gaan, en voortdurend beducht moet zijn op het gevaar te struikelen over een berg bouwpuin of een onopgemaakt bed. De jonge generatie gaat vrolijk op deze voet voort, zag ik vandaag in de krant. Een ongetwijfeld erg deskundige journalist laat zich daar in ademloze bewondering uit over enkele eindexaminandi van het Groninger Frank Mohr Instituut. Helaas is de redactie zo dom geweest om enkele afbeeldingen van hun werk bij de reportage te plaatsen. Op een flodderig neergepenseelde achtergrond van een tint zoals je die krijgt als een peuter een half uur met zes kleuren verf mag spelen, zijn vier knullig geschilderde onderzeeërs te zien. Het zou ook kunnen dat de schilder in eerste instantie komkommers heeft bedoeld maar halverwege van gedachten is veranderd. Het geheel kan onmogelijk langer dan een kwartier hebben gevergd om te maken. Maar vooruit, één ding moet je Aldwin van de Ven nageven, hij schildert tenminste nog. Sorry. Dat zeg ik weer veel te amateuristisch. Laat ik liever de deskundige journalist citeren: “zijn doeken hebben een verfhuid.” Verder is hij (ik citeer veiligheidshalve maar even verder, ik wil hier tenslotte niet als kunstnitwit te kijk staan) “…veel minder geïnteresseerd in de techniek van het schilderen. Hij is vooral op zoek naar de terloopsheid van een schets. (…) Hij is niet op zoek naar het betekenisvolle onderwerp, maar naar beelden die mogelijk betekenis hebben.”
Aldwin van de Ven: "Nachtelijke aanval" (2008)
Ho, stop, wacht even. Dat lees ik toch goed? Van de Ven schildert dus doeken over betekenisloze onderwerpen in een technisch ongeïnteresseerde stijl. Ja, dat lees ik goed. Toegegeven, hij zoekt naar ‘beelden die mogelijk betekenis hebben’, maar lees die zin twee keer en je ziet dat er helemaal niets staat. Naar beelden die ‘mogelijk’ betekenis hebben hoeft je niet lang te zoeken - èlk beeld heeft ‘mogelijk’ betekenis. En net zo is het, blijkt uit de uitsmijter van het artikel: “Van de Ven geeft (…) slechts een eerste aanzet. Het is aan de kijker om het werk af te maken.” Als dat zijn opzet is vraag je je af waarom hij überhaupt nog de moeite neemt iets op zijn doek te schilderen; als hij het leeg laat kan de kijker er zelf elke kant mee op die hij maar wil. “Spannender dan in het Frank Mohr zul je jonge schilderkunst niet snel tegenkomen,” besluit de reportage, en mij bekruipt het onbehaaglijke vermoeden dat dat als een compliment bedoeld is.
Volgens mij zijn er veel redenen om naar Groningen te gaan, maar als het deze expositie moet zijn zou ik er nog eens goed over nadenken. Groningen is namelijk (maar dat wist u al) erg ver weg.
Gepost door Martien op 14:32 View Comments
Labels: Kunst