Posts tonen met het label Cello. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Cello. Alle posts tonen

vrijdag 4 september 2009

Belgisch Brabant

Maar komaan, al dat geneuzel over kanker doet helemaal niet ter zake. Wat ter zake deed was de week die ik het genoegen had met mijn kwartet te spenderen op de International Music Course in Vught. Dachten we vorig jaar nog dat het allemaal niet fijner kon zijn dan in Kerkrade op het Orlando Festival, dit jaar bleek in Vught anders. Het was er nog fijner. In een grote villa die ooit aan de Fenteners van Vlissingen toebehoorde bewogen we ons als zo’n beetje enige amateurs, en in elk geval als enig voorgevormd ensemble, te midden van jonge talenten die veelal van Vlaamse en soms ook van Poolse komaf waren, en die in het kielzog van hun diverse leraren naar Vught waren getogen voor een intensieve lesweek ter voorbereiding op of aanvulling bij hun conservatoriumstudie. (Ja, dat is een erg lange zin, maar ik ben inmiddels in deel II van A la recherche du temps perdu, en geloof me, vergeleken bij Proust is het helemaal niets. Ik heb begrepen dat als de langste zin uit die roman-fleuve in een normale boekletter op één regel zou worden geschreven, zij een lengte van vier meter zou hebben).

Het was (terug in Vught) dan ook niet verwonderlijk dat vanuit diverse slaapkamers al om 7u30 in de ochtend hardnekkige riedels weerklonken, die naarmate de week vorderde soms een wat wanhopige bijklank verwierven, terwijl vanachter vele andere deuren schone klanken oprezen die ons bij wijlen tot nederigheid stemden. Het is, zo bleek, heerlijk uitrusten aan de vijver wanneer zes meter verderop een celliste Elgar’s concert studeert, of drie hoornisten spectaculaire fanfares in het rond kaatsen tussen de oude bomen (of een vierde zijn bundel met orkestfragmenten doorneemt in het prieel, wat een leuke ad hoc muziekquiz opleverde van overigens beperkte moeilijkheidsgraad, want de volgorde was alfabetisch en het repertoire voorspelbaar. Het was duidelijk dat de jongeman niet bekend was of even niet wenste te zijn met Brahms’ Vierde, want het magistrale hoornthema uit het langzame deel daarvan knalde hij eruit alsof het een snelle feestmars was).

Het docententeam vertegenwoordigde de crème de la crème van België, en moge dat niet op elk vlak een vanzelfsprekende aanbeveling zijn, in de muziek is het dat zeker wel. ‘Kijk nou,” zei organisator en violist Vegard Nilsen aan het eind van de langzaam in alcohol verzandende slotavond in de bar, met een knik richting het keukenblok, “daar staat de beste gitarist van België de afwasmachine in te laden.” Dat kenmerkt misschien nog het best de gemoedelijke, geheel van enige poeha gespeende sfeer daar in huize Bergen. Olsi Leka mag solocellist zijn van het Nationaal Orkest van België, er was geen spoor van twijfel dat hij ons kwartet van amateurs volledig serieus nam – best wel schrikken op die laatste, slaperige zondagochtend dat hij onze coach was, en waar we dus zonder pardon nog eens stevig aan de slag moesten.

Maar dat was ook onze eigen schuld, want op de lessenaars prijkten de niet malse partijen van Schuberts Der Tod und das Mädchen - wat onder de gegeven omstandigheden misschien een wrang-masochistische keuze mag lijken, maar die was al gemaakt lang voor ik met mijn kuchje naar de dokter ging; eigenlijk een jaar geleden al, toen we dit donkere meesterwerk op onze laatste avond in Rolduc onderwerp maakten van een overmoedige prima vista sessie in een onweeromdonderd en bliksemdoorflitst trappenhuis. Vegard Nilsen hielp ons doorheen de week onvermoeibaar om dat verrekte huppeltje kwijt te raken in het tweede thema van het eerste deel, om de klank van onze instrumenten beter ineen te laten vloeien, om expressieve momenten tot het uiterste uit te buiten, zelfs om chocola te maken van die paar maten tegen het eind van het Andante waar de componist even stapelgek lijkt te worden:

Alsof dat allemaal niet fijn genoeg was waren er dan ’s avonds ook nog smakelijke concerten onder de vlag van het Atlantic Chamber Music Festival, een naam die klinkt naar een twee jaar tevoren uitverkochte happening in New York maar feitelijk staat voor een reeks knusse concerten voor een veel te klein publiek in een overakoestisch kerkje in Vught. Daar maakten we kennis met het ultradramatische pianokwartet van Sergei Taneyev, dat een hartverscheurend mooi langzaam deel heeft met een altmelodie die aan het eind van de op eerste gehoor niet helemaal te bevatten finale terugkeert en daar een breekbare vrede creëert die me meteen aan het eind van Suk’s Asrael deed denken. Verder bundelden drie docenten en drie leerlingen de krachten voor een misschien iets te klankrijke uitvoering van Tjaikovski’s Souvenir de Florence, een werk dat net als de meeste symfonieën van deze componist in het eerste deel veel kouwe drukte biedt en in het tweede larmoyante kitsch, waarna het scherzo wel leuk is (want het meest op zijn balletten lijkend) en de finale veel te lang. Gelukkig maakten de blazers veel goed in een lang gemist uitstapje naar de twintigste eeuw bestaande uit een spetterende uitvoering van Poulenc’s Sextet voor Blazers.

Het Atlantic Trio treedt, versterkt door altviolist Marc Tooten, aan voor Taneyev's Pianokwartet

De andere twintigste eeuwer die we hoorden, wat zeg ik, eenentwintigste eeuwer zelfs, was Willem Wander van Nieuwkerk, composer in residence, van wie drie delen van een kersvers pianotrio hun wereldpremière beleefden. Eigentijdse muziek die weer ergens naar klinkt, heerlijk, daar wil ik de componist een enkele Brahmse wending met liefde voor vergeven. Van Nieuwkerk baseert zich graag op oude kerkmelodieën en volkse liedboeken en verwerkte die in dit trio tot een herfstig bewogen openingsdeel, een dromerig verfijnd langzaam deel en een finale vol heftige motoriek. Een gedenkwaardig geheel dat eind dit jaar in zijn volledigheid, dat wil zeggen met inbegrip van een scherzo waarvoor de kalender nu helaas ’s componisten inspiratie had ingehaald, in Zeist te beluisteren is. Ik greep intussen de kans te baat iets te doen wat je als klassiek liefhebber maar zelden kunt, namelijk de componist te feliciteren en bedanken. Dat vond hij ook leuk. Bovendien kwamen we er zo achter dat onze docent in bezit was van een strijkkwartet van zijn hand. Dat hebben we hem natuurlijk meteen afgetroggeld en vervolgens hebben we zitten tellen als bezetenen om het op de rails te krijgen…

Tussen al dat moois was het echter Brahms’ f klein pianokwintet dat de meest onuitwisbare indruk maakte: een bewogen uitvoering die ondanks enorme dynamische contrasten en in weerwil van de galmende akoestiek toch steeds slank bleef en transparant, en die je als luisteraar soms bijna voorbij het puntje van je stoel dreigde te brengen. Nooit eerder was me opgevallen hoe duizelingwekkend spannend en mysterieus de opening van het laatste deel is. De muzikale expressie zit vooral in het diminuendo, had Vegard Nilsen ons eerder die week geleerd; het was geweldig hem en zijn collega’s te horen voordoen wat dat in de praktijk betekent.

Ook extracurriculair was het goed toeven in Vught. In het dorpspark keken vadsige labradors geduldig toe hoe hun Lanzarotebruine, rimpelige bazinnetjes achter de bal aanrenden; bij kasteel Maurick was de ober wel heel deftig maar niet zo goed in rekenen zodat vier glazen Grüner Veltliner samen 16,50 kostten; over de vijver in de tuin flitsten twee ijsvogels voorbij; later toverden de uit de ‘Biljardkamer’ (zo rijk waren de Fenteners, of zo slecht in spellen is de beheerder van het conferentiecentrum) ontvreemde kaarsjes knoestige drakenkoppen op de stam van de enorme beuk achter Huize Bergen; bij de ijssalon voerden de klanten een ingewikkeld ballet op aangevuurd door wespen; en op het kroegterras kreeg de spreekwoordelijke Brabantse gastvrijheid zijn volle beslag met de doorrookte mededeling van de serveerster dat, nee, de keuken dicht was en dat men zo ging sluiten, ‘want er zijn te weinig mensen’.

Kortom, volgend jaar weer, OK? Kunnen we dat even afspreken?

vrijdag 5 juni 2009

Onwijs

De Dalai Lama is in den lande. “Ik ben maar een gewone boeddhist,” schijnt hij gezegd te hebben. Klaboem, de eerste leugen meteen binnen. Gewone boeddhisten reizen niet de wereld af om moppen te tappen in afgeladen zalen vol spiritueel zoekenden. Ik vertrouw ze voor geen cent, deze beroepswijzen. Al helemaal niet als ze zoveel lachen.

Wat de aanhangers in drommen naar de goedlachse goeroe doet toetrekken is gelukkig, naar ik in de krant lees, vertrouwd westers en eigentijds. De leer die hij verkondigt is zo lekker makkelijk. Geen dogma’s; geen regels waaraan je je hoeft te houden; niemand die oordeelt. “De waarden spreken me aan. Je hoeft niets in dit geloof,” zo legt Liesbeth Stöver uit Leusden uit in een moment van onbedoelde zelfonthulling. Een andere vrouw voelt zich aangetrokken tot het ‘aspect van zelfloosheid’. Net als Marina van der Braam, die al sinds 1986 boeddhist is. Zij ziet het zelfloze boeddhisme helemaal niet als een geloof, maar meer ‘als iets voor mezelf'.

Huh?

Erika Terpstra verklaarde in haar diepste kern te zijn geraakt na te zijn ondergedompeld in de Dalailaamse Oceaan van wijsheid – een wetenschap die we verder maar liever met de mantel der liefde bedekken. Maar over jezelf verklaren dat je erg spiritueel bent lijkt me op een of andere manier een tamelijk overtuigend bewijs van het tegendeel. Helemaal wanneer je dat doet in een hal vol verkoopstandjes.

Nee, ik vertrouw ze voor geen cent, deze met superlatieven omhangen maar toch zo gewone en bescheiden Wijze Mannen. Het was niet helemaal toevallig dat ik bij een Dalai Lama reportage dezer dagen ineens moest denken aan een cello masterclass door Rostropovitsj, die ik jaren geleden bijwoonde in het Concertgebouw. Rostropovitsj, zo’n leuke man! werd mij allerzijds verzekerd voor ik ging. Sommige cellogenootjes spraken dweperig over hem alsof hij een lieve, halfdemente suikeroom was. Zo gewoon en bescheiden! En wat een grootheid niettemin!

Nou zal ik de laatste zijn te bestrijden dat Mstislav een groot cellist was, al was zijn stiel niet de mijne en tref je hem in mijn CD-kast dus amper aan. Maar gewoon en bescheiden vond ik hem die middag in Amsterdam allerminst. Ik vond hem eerder een bombastische, zelfingenomen kwast. Wordt daar maar mee geconfronteerd als je een klein Pools meisje van zeventien bent dat het podium komt oplopen en daar moederziel alleen moet gaan zitten, met enkel een cello als borstwering.

Ik kreeg het bijkans plaatsvervangend benauwd. Daar zit je dan, frêle meisje achter een grote cello, honderden verwachtingsvolle oogjes op je gevestigd en op rij één de grote Maestro zelf, die je ook al aankijkt met een blik waarvan je niet helemaal zeker weet of die welwillend is of niet toch besmet met een sprankje anticiperend leedvermaak. Wat doe je dan – natuurlijk, even contact zoeken met je instrument. Voordat je begint, vast even de weerstand van de snaren voelen en het gonzen van de kast: met een paar snelle streken stemde het Poolse meisje haar instrument nog een keer af.

Rostropovitsj zag zijn kans schoon. “Stop, stop please… can I ask, what is this piece you are playing?” Hilariteit in de zaal natuurlijk - wat een heerlijk grappige man toch die Rostropovitsj! Zo gewoon en bescheiden ook. Verbouwereerd keek het meisje hem aan. “I’m tuning,” klonk het aarzelend. Waarna de maestro haar de les las over dat je dat niet op het podium doet, maar tevoren in de kleedkamer. Voorwaar een les waar een Rostropovitsj aan te pas moet komen – een les, overigens, gelogenstraft door legio grote cellisten die wel op het podium afstemmen.

Daar zit je dan. Frêle meisje achter een grote cello, honderden verwachtingsvolle oogjes op je gevestigd waarin het sprankje anticiperend leedvermaak nu iets meer is geworden dan een bang vermoeden, en je bent al afgegaan voordat je begonnen bent.

“Jij rotzak,” dacht ik.

Maar het Poolse meisje liet zich zomaar niet uit het veld slaan. Met doodsverachting smeet ze een meer dan respectabele lezing de zaal in van het eerste deel van Kodaly’s solosonate, het mooiste maar ook het moeilijkste dat ooit voor cellosolo geschreven is. De zaal had ze daar zo mee gewonnen, maar Rostropovitsj liet zich minder gemakkelijk vangen. Die zei geen woord over wat geklonken had, kwam niet op het idee om te openen met een compliment, maar begon een oratie over het volkomen irrelevante feit dat hijzelf dit stuk nooit gespeeld had, omdat de scordatura stemming van de C-snaar zich niet liet verenigen met zijn absolute gehoor: de noten op de pagina kloppen immers niet met wat er klinkt. Nog voor er tijd was deze opmerking te doorgronden, die een sterk maar ongrijpbaar vermoeden van onzinnigheid opriep, was de maestro al verder weggedreven in zijn mijmeringen, en langs onnavolgbare wegen beland in nog irrelevantere regionen zoals zijn vele persoonlijke contacten met staatshoofden van uiteenlopend pluimage.

Heerlijke man, die Rostropovitsj, wat een rasverteller; en toch zo bescheiden en gewoon. Het Poolse meisje zat er als een elegant decorstuk naast, te wachten tot ’s Maestro’s ego zichzelf voldoende bevredigd had om misschien weer eens bij zijn pupil stil te staan.

Dalai Lama, Mstislav Rostropovitsj; - blijf liever uit de buurt van bewierookte Grote Leermeesters. Vooral het soort dat graag en veel om zijn eigen grappen lacht. Het blijken maar al te vaak gezwollen narcisten die grossieren in banaliteiten en gemeenplaatsen.

dinsdag 29 juli 2008

Orlando, niet in Florida

De twee kroegen anderhalve straat verderop lijden aan de waanvoorstelling dat je de hele buurt een plezier doet door elke twee maanden op zondag een gezellige whoopee te organiseren waar rampetampende lawaaibands hem eens stevig van jetje geven terwijl de diverse Verenigingen van Eigenaren het met al dan niet lede oren aanhoren en zich ondertussen onder de tafel drinken. Afgelopen zondag was er weer zo een, en het contrast met de week daarvoor kon niet schrijnender zijn. Het was op het Orlando Festival in Kerkrade een hele verademing te zien dat er ook nog altijd jonge mensen bestaan die zich op verbluffend hoog niveau met echte muziek bezig houden, en die in staat zijn, pakweg, Jánaček’s Kreutzer kwartet tot zulke pijnlijke diepten uit te graven dat de arme luisteraar alleen nog maar blind naar zijn zakdoek kan tasten.

Dat eerste Jánaček kwartet was onderwerp in een van de masterclasses die de kern vormen van het Festival. Het briljante Poolse Apollon Musagète kwartet werd gecoacht door Hatto Beyerle, ooit altist bij het Alban Berg kwartet. Meneer Beyerle is inmiddels oud, omvangrijk en slecht ter been, en verstaat de kunst om die ogenschijnlijke minpunten lucratief in te zetten als bouwstenen voor zijn imago van wijze oude leermeester. Het overwegend grijsharige publiek draaide de gehoorapparaten fluks een standje hoger om de gemompelde aanwijzingen van de goeroe te kunnen volgen. Onder de aanwezigen bevond zich een enkele onmiskenbare groupie – niet van de strijkers, maar van de coach. U kunt haar zich vast voorstellen: zo’n ingedroogde, licht-alternatieve, humorloze mevrouw die je direct voor een non aanziet, en die zich ademloos laaft aan het aura van de Meester. Op haar beste dagen durft ze het zelfs aan net te doen alsof ze elkaar een beetje kennen, en met hem te praten. Zo kan het gebeuren dat als de maestro enigszins geïrriteerd opmerkt dat de spelers nogal laat zijn, zij braakverwekkende dingen zegt als “first I thought I came here for the musicians – but now I know I came for you.” Meneer Beyerle wuift zoiets natuurlijk meteen weg als “too much honor,” maar je ziet aan alles dat ie daar geen barst van meent. Hij druipt van die valse bescheidenheid die vooral zo onsmakelijk is bij mensen die in alles het tegendeel uitstralen.

Het Apollon Musagète Kwartet wordt gemasterclassed door Hatto Beyerle, in de Rococobibliotheek van Rolduc

Dat is op zich natuurlijk allemaal niet erg, als hij maar wat te vertellen heeft. Nou hadden de vier jongens van het AM Kwartet hun Jánaček de avond tevoren al op de planken gebracht in de concertzaal van het Maastrichtse conservatorium. De technische beheersing was totaal, en stond in dienst van een uitvoering die beeldschoon en ademstokkend intens was. Wij vroegen ons dan ook af wat zulke mensen nog te leren valt. Niets, zo bleek. Meneer Beyerle kwam niet verder dan het intrappen van open deuren, het bediscussiëren van een metronoomcijfer, het stellen van loze vragen (“Why do you do it like that?”), en het opdreunen van muziekhistorische weetjes die u en ik óók uit een boekje hadden kunnen opdiepen als we ze zo al niet paraat hebben.

Aan het einde, toen de tijd op was, kwam het quasi-verveelde verzoek of men toch nog ‘even’ het laatste deel wilde spelen, “so I know what to expect tomorrow.” Dat deden de begenadigde Polen, en wel zo dat je elk moment verwachtte de fondantkrullen in de Rococobibliotheek van het plafond te zien vallen. Ik zat op rij één, er middenin; de buikgriep die me twee dagen had geplaagd genas ter plekke; en als die dorre groupie-mevrouw er niet geweest was had ik het beslist niet droog gehouden.

Toen de kans zich voordeed wierpen we een steelse blik in de partijen, wat nog weer een verdiepende uitwerking had op onze bewondering. "Bijna géén aantekeningen!" "En zés mollen!!".

Gaandeweg groeide de indruk dat deze masterclasses helemaal niet zoveel te maken hebben met mensen iets leren. Ze zijn meer een soort rite de passage. De oudgediende brengt iets over van de gevestigde uitvoeringstradities op jonge mensen die de dingen doen die hijzelf al lang niet meer kan. Hij compenseert zijn gemankeerde muzikantendom door mee te liften met het frisse talent. Dat talent op zijn beurt hoort alles braaf en meestal niet al te zichtbaar verveeld of geërgerd aan, en mag als dank de naam van de grote meester bijschrijven in het CV, zodat allerlei deuren open gaan die anders misschien gesloten zouden blijven.


Eén masterclass; maar één golf in de alles omspoelende oceaan van muziek die het Orlando Festival is. Heel wat beter dan Disney World, ook al denkt iedereen dat dat je bestemming is als je zegt dat je in je vakantie naar Orlando gaat. In Kerkrade weten ze wel beter. Daar zijn hele straten, winkelgalerijen en parkeergarages naar het Festival en het gelijknamige, grondleggende kwartet genoemd. Vanuit het centrum is een rode loper in het trottoir geplaveid die de weg wijst naar de abdij Rolduc; met ingebouwde lichtjes, zodat je ook 's nachts niet hoeft te verdwalen op weg naar een van de weinige plekken in de stad die geen pijn doet aan je ogen.

Eenmaal binnen was alles muziek. Vanachter bijna elke deur in de wijdse abdij klonken riedelende violen, zuchtende cello’s, jodelende sopranen en wat al niet meer. Meteen de eerste avond al speelde het Noorse Grieg Trio Beethoven’s Geistertrio met zoveel elan dat je helemaal vergat hoe verschrikkelijk lelijk het theater van Kerkrade is. Celliste Ellen Flesjø kwam binnen als een stuurse, monumentale verschijning maar smolt tot een en al vloeiende beweging bij de eerste noot en had tegen het slotakkoord een onverzettelijke schare fans bij elkaar gestreken. En dat ondanks de natuurlijk weer veel te prominente Steinway – kan iemand alsjeblieft die kleppen eens dichttimmeren?

De kwartetten Quiroga (Spanje) en Ardeo (Frankrijk) samen in de startblokken voor het Octet van Mendelssohn

Zo was er bijna elke avond wel iets gedenkwaardigs. Het piepjonge Russische Anima Kwartet ging met Sjostakovitsj nummer drie van de meest ragfijne spiccati tot een diepe, donkere sonoriteit die ronduit orkestraal klonk. Het Franse Ardeo Kwartet speelde Ligeti’s Métamorphoses nocturnes, een werk waarvan de duizelingwekkende technische complexiteit de vier dames amper met de ogen deed knipperen, zodat er alle ruimte was de vreemde, buitenaardse sferen van de muziek uit te diepen. Later bundelde deze groep de krachten met hun al even getalenteerde Spaanse collega’s van het Quiroga Kwartet voor een uitvoering van Mendelssohn’s Octet waar het speelplezier vanaf spatte.

‘Ons eigen’ meer dan geweldige Rubens Kwartet gaf een mooi doordachte en fantastisch precieze lezing van Bartok’s Vijfde, het kwartet met het valse draaiorgeltje. De zaal ging helemaal plat voor Earnest and game van Joey Roukens – eindelijk eens een componist die nog niet dood is, zoals de meester zelf, al helemaal 26 jaar, opmerkte aan het begin van zijn toelichting bij het werk. Het eclectische idioom liep van Ligeti- en Bartok-achtige klanken naar een duizelingwekkend swingend Scherzo waarin cellist Joachim Eijlander voluit aan het dansen ging met zijn instrument.

Componist Joey Roukens licht zijn kwartet Earnest and game toe, dat zometeen door het Rubenskwartet zal worden gespeeld

Het moet, eerlijk is eerlijk, gezegd zijn dat in deze baaierd van gedreven jong talent de gevestigde oude orde soms nogal bleekjes afstak. En dan zeg ik het voorzichtig; door de combinatie van hun lakse spel en een niet helemaal correcte uitspraak van hun naam was het Voces Kwartet (het staatskwartet van Roemenië, no less) bij ons al snel tot het Vodjeskwartet omgedoopt. Als een uit Dickens weggelopen malafide notaris hakte primarius Bujor Prelipcean zich met een verbeten trek om de mond een weg door Mozart’s kwintetten. De stilistische benadering hield het midden tussen van dik hout zaagt men planken en grote halen, snel thuis. Het was een hele schok toen deze groep bij het uitvallen van een programmaonderdeel onverwacht nog een keer aantrad om ook Schuberts goddelijke strijkkwintet aan mootjes te zagen.

Het allerleukste aan het Orlando Festival is natuurlijk dat je als amateur ook zelf een beetje mee mag doen. Even word je opgenomen in de wereld van professioneel muziekmaken, en heb je zelf eindelijk ook eens genoeg tijd om een half uur te obsederen over twee maten in Smetana’s eerste kwartet, of om je uitgebreid te concentreren op de dingen die er te gemakkelijk bij inschieten, zoals precieze en weldoordachte toonvorming. We hadden het genoegen daarbij geholpen te worden door Sidonie Riha van het het Rubenskwartet, die feilloze diagnostiek combineerde met een paar prima remedies, en die bij het toepassen daarvan ook nog eens zoveel energie en plezier uitstraalde dat je daarna helemaal niets anders meer wilde dan spelen. Een derde les kregen we van cellist Maarten Mostert, die na twee streken op mijn instrument grijnzend constateerde dat het een ‘lekkere cello’ is, en met nog twee streken meer duidelijk maakte dat in dat lekkere ding veel meer geluid zit dan ik er tot nu toe ooit heb weten uit te halen. Alweer een studeerpuntje…


Bisschoppelijke randverschijnselen

Verder: gewandeld in de mooie omgeving; op een avond, voor het concert, België in gevlucht om voor één keer echt lekkere frieten te eten in plaats van het sufgesudderde buffetvoer van Rolduc; uitvoerig studie gemaakt van de fysieke randverschijnselen van het musiceren, van uitschuiflijven en opstijgende voeten tot rollende ogen; en erg veel gelachen. Het was een weemoedig moment, om dat alles achter te laten. We hebben het bezegeld met een paar delen Schubert, Tod und das Mädchen, in een verlaten trappenhuis waar het goed klonk, terwijl buiten de donderwolken zich samenpakten.

zaterdag 7 juni 2008

De weg naar Rolduc

Zo. Vandaag mezelf maar eens een schop onder mijn luie kont gegeven en aan de slag gegaan. Want het is nog maar een weekje of zes en dan gaat het Orlando festival van start, waar ik toch liefst een klein beetje beslagen ten ijs kom. Dus vanaf nu elke maandagavond kwartetten, om de ergste technische ellende uit de weg te krijgen, en vooral ook om te kijken wat het repertoire moet worden. De Mozarts heb ik ook vandaag weer verdrongen, moet ik bekennen – je bent als cellist gewend dat je je partij in muziek uit die tijd geeuwend wegspeelt met één oog dicht en een glas bier in de hand, maar dat kun je bij Wolfgang wel vergeten: duivels moeilijk spul waarin iedere kleinste misser het effect heeft van een tandartsboor. Dan maar liever weggevlucht in Smetana’s e klein; daar is ook van alles aan te doen, maar in elk geval stort het bouwwerk niet bij de eerste uitglijer in. De manische finale met de beroemde tinnitus-piep is niettemin een waagstuk. Cooling down met de beeldschone pavane Couleur du temps van Frank Martin. Het zou leuk zijn als we straks in Kerkrade een contrabassist kunnen opduikelen om de vijfde stem te spelen.