Haal de Wiener Philharmoniker naar Nijmegen en nog zullen er in De Vereeniging lege stoelen te over zijn, zo gaat dat nou eenmaal in linkse bolwerken. Dus wat dat betreft hadden de spelers van het Nationaal Jeugdorkest gisteravond niet te klagen, want de zaal was lang niet slecht gevuld. Dat was deels ongetwijfeld te danken aan de opkomst van familie en vrienden van de spelers, deels waarschijnlijk ook aan de aanwezigheid op de bok van John Adams, die gevoeglijk mag worden beschouwd als de meest high profile levende componist van het moment (wat iets anders is dan de belangrijkste of de beste, dat oordeel laten we maar beter aan de geschiedenis over).
Hij is de zestig voorbij maar oogt nog altijd als een spijbelend lefgozertje van vijftien, en het was duidelijk dat de NJO-ers het erg naar hun zin hadden met hem. Het muzikale resultaat was navenant. Richard Strauss’ Don Juan werd spetterend en met verve de zaal in gesmeten; de virtuositeiten van deze partituur werden koelbloedig en bijna achteloos overmeesterd en de hoornsectie ging voor goud, zoals dat dezer dagen heet.
Eerlijk is eerlijk, de navolgende Zevende van Sibelius stelt andere eisen, en zonder de glittermantel van laatromantische mega-orkestratie kon het NJO niet verbergen dat het voor de puur muzikale hoogten en diepten van dit onvolprezen meesterwerk misschien net te jong en te recht door zee is. In deze symfonie moet het orkest zoekend durven klinken, en aarzelend (maar dan niet op de manier van de aanvankelijk licht-verdwaalde houtblazers), zodat het oerthema van de trombone, wanneer het zich verheft, een beloning is en een bevrijding. Maar ook al werd er niet ten diepste gepeild, nog miste dat moment, misschien wel het meest magische in de hele muziek van de twintigste eeuw, zijn uitwerking niet; ik had de bijna lijfelijke gewaarwording dat ik uit mijn stoel werd getild. Jammer dat Adams het, als zovelen, niet aandurfde het voorlaatste akkoord lang te laten schrijnen alvorens het in het slotakkoord op te lossen.
Dat het de maestro niet aan zelfvertrouwen ontbreekt bleek uit het feit dat hij de Nederlandse première van zijn eigen, splinternieuwe Dr. Atomic Symphony pal na de diamanten perfectie van deze Sibelius had geprogrammeerd. Dat dat alleen ten nadele van Adams kon uitpakken was voorspelbaar, zeker als je weet dat zijn symfonie niet van de grond af als een symfonische architectuur is bedacht, maar een collage is van elementen uit zijn Oppenheimer opera Dr. Atomic. Het begint allemaal behoorlijk bruut en lawaaiig, met veel tamtamgedruis, klokgelui, tromslagen en brullend zwaar koper, helemaal geen Adams zoals we gewend zijn, maar veeleer een anoniem, generiek modernisme. Na enige tijd besterft het tumult en maken welkome, lange, lyrische hoorn- en hobosolo’s zich los uit de ondergrond. Vervolgens veren we op van herkenning wanneer, eindelijk, de strijkers dan toch nog die karakteristieke Adams-ostinati inzetten, met hun al even vertrouwde harmonische wendingen. Die worden echter steeds onderbroken door verdere zangerige solo’s, dit keer van de trompet, die na een poosje wel heel erg naar Once upon a time in the west begint te klinken. Het hele ensemble galoppeert tenslotte naar een knallend slot, en dat is dat.
Opwinding genereren, dat kan Adams als geen ander, dus de Dr. Atomic Symphony was beslist een enerverende luisterervaring. Maar na de puurheid van Sibelius VII bleef, nadat de adrenalinespiegel weer wat gedaald was, toch vooral een indruk hangen van gekunsteldheid en kouwe drukte, en van een weinig dwingende, fragmentarische constructie. Het instrumentale kunst- en vliegwerk omvatte naast een heel rek vol gestemde gongs het nodige col legno geklepper van de strijkers en een bekken dat met een strijkstok tot klinken werd gebracht, al was daar in het omringende geraas weinig van te horen. Meer oppervlakte dan inhoud, al met al, maar misschien geeft het stuk bij herhaalde beluistering nog geheimen prijs die me deze eerste keer ontgaan zijn.
Hierop keerde Adams zich grijnzend naar de zaal om uit te leggen dat hij, zoals in het programma vermeld, aanvankelijk van plan was het concert te eindigen met zijn eigen symfonie, maar daar toch maar vanaf had gezien uit vrees dat we die misschien niet mooi zouden vinden. Sure. Prompt vraag je je dan af wat de echte reden is; waarschijnlijk is dat concentratie, waarvan Adams’ werken een flinke dosis vergen. Nu kreeg het nieuwe slotstuk, Brittens Four sea interludes, een paar tikken mee van aflopende aandachtspannes. In de kwetsbare, ijle vioollijnen van Dawn was de unanimiteit er vaak nèt niet, en het begin van Sunday Morning verliep op enkele momenten griezelig asynchroon. Maar verder kwam alles op zijn pootjes terecht en waaide meer dan genoeg zilte zeelucht de zaal in. Het was, al met al, een heel prachtige en inspirerende avond – en dat was een gedeelde mening, afgaande op de luidruchtige pogingen van het publiek om de zaal af te breken.
zondag 24 augustus 2008
Atoomkunst
dinsdag 20 mei 2008
Trots op Finland
Zolang we hier opgezadeld zitten met de Ritas en de Geerten en de Ayaans, om van het bijbelse gebroed in de regering nog maar te zwijgen, gaat het met mijn trots op Nederland niet lukken. Gelukkig hoeft dat ook niet. De pot op met Nederland. Ik ben trots op Finland! Finland is het enige land ter wereld met een componist als nationale held. En niet zomaar eentje. Niet een componist van de hapklare nationale romantiek zoals Dvořak, en ook geen megalomane cryptofascist als Wagner, maar een schrijver van zuinige, magere, soms ronduit stuurse werken, die stuk voor stuk ongemeen prachtig zijn. Muziek vol vochtige schemerwouden en ijskoude meren. Sibelius, natuurlijk. Hij prijkt op champagnelabels en sigarenbandjes – zijn erven geven alleen toestemming voor gebruik van zijn naam op artikelen waarmee hij een directe band had. Hij prijkte desondanks, voor de eurotijd, ook op een bankbiljet, al was hij altijd blut. En in Helsinki hebben ze een gedrochtelijk monument voor hem opgericht dat eruit ziet als een omgevallen olieraffinaderij. Elke Finse kleuter kan je vertellen wie hij is, en zingt er desgewenst de hymne uit Finlandia achteraan.
Het Keitele Meer, door Sibelius' vriend Akseli Gallen-Kallela
Zo’n land deugt. Het kan niet anders. Hoe depressief, dronken en suïcidaal je met zijn allen ook bent, met een man als Sibelius zo hoog in het vaandel heb je als land een echte reden om trots te zijn op jezelf. Nou was Sibelius natuurlijk net zo dronken en depressief als die andere Finnen.
Hij had een bloedhekel aan dirigeren en leed aan vreselijke plankenkoorts. Daarom had hij zich op een avond voor een concert eens stevig moed ingedronken met een respectabele dosis champagne. Dat werkte dusdanig ontspannend dat hij midden in de uitvoering doodgemoedereerd aftikte, geheel vergeten dat hij een concert gaf en in de volle overtuiging dat hij zich in een repetitie bevond. Zo’n man, daar moet je wel van houden.
Maar Nederland heeft nooit veel op gehad met Sibelius. Zijn vijftigste sterfjaar was aanleiding voor een Amsterdamse concertreeks, maar dat was een erg flauw goedmakertje na jarenlange en daarna gewoon weer voortgezette verwaarlozing. Orkesten programmeren hem zelden. Wij compenseren onze kleinburgerlijke nuchterheid liever met de emotionele bombardementen van Mahler, en die vond Sibelius maar een peuterige miniaturist. Ook andere grootheden hadden niet veel met hem op. Toen een interviewer eens aan Stravinsky vroeg wat hij van Sibelius dacht zei Stravinsky: “Waarom zou ik aan Sibelius denken?” De ondoorgrondelijke muziekfilosoof Adorno deed de Fin af als een hopeloze amateur, en als je zijn muziek voor het eerst hoort is dat deels zelfs te begrijpen. De meeste componisten van die tijd verkleden de structurele elementen van hun muziek zo, dat je niet meer precies hoort waar de muzikale substantie ophoudt en een overgang begint. Sibelius niet. Die zet de boel gewoon stil om met een serie platte akkoorden een overgang te maken naar een andere toonsoort; of hij herhaalt een sequens net zo vaak tot hij op de goede noot voor het vervolg terecht is gekomen. Het kan primitief klinken, maar is het soort eerlijkheid dat Bruckner ook had, een componist met wie Sibelius veel gemeen heeft - niet alleen de uit steen gehouwen boerenkop. Brucknersymfonieën duren lang, maar je weet altijd precies wat er gebeurt, want elke muzikale scène is door een omstandige generale pauze van het voorgaande gescheiden.
Feit is dat Sibelius zijn tijd vooruit was. Terwijl de laatromantici de expansiedrift zowel qua orkestbezetting als qua partituurdikte tot het uiterste dreven, deed Sibelius alleen aan krimp. De Zevende symfonie duurt in zijn geheel korter dan een enkel deel van Mahler in een beknopte bui. Toch zegt ze in 22 minuten evenveel als anderhalf uur Mahler, en misschien wel meer. Geen noot is teveel. Elke wending is dwingende noodzaak. Kleine gebaren, het opbloeien van een korte maar hemelse trombonesolo uit een koel-prachtige strijkershymne, worden gebeurtenissen van kosmische betekenis. Tegenwoordig herkennen we hoe revolutionair dat was. Tegenwoordig is niet de muziek van Sibelius achterhaald, maar klinkt de twaalftoonse nieuwlichterij van de door Adorno zo bewonderde Schönberg hopeloos ouderwets.
Helaas echter was Sibelius’ neiging tot krimp zo sterk dat die na de Zevende haar onvermijdelijke eindpunt bereikte in de stilte. Jaren en jaren zwoegde hij op zijn Achtste symfonie, alleen maar om haar tenslotte in de open haard te kieperen. En we mogen nog blij zijn dat hij er niet een hele stapel vroege werken achteraan gooide, die zijn goedkeuring ook niet meer konden wegdragen. De laatste drie decennia van zijn lange leven zat de componist in zijn mooie huisje in Järvenpää, stelde het geduld van zijn vrouw op de proef (die goddank een onuitputtelijk geduld had), luisterde naar de radio, rookte zijn sigaren en dronk zijn wijn, werd een nationaal symbool en schreef, een handvol niemendalletjes daargelaten, geen noot meer. Ja, zo’n man, daar moet je wel van houden.
In 1957 stierf hij. “Muziek is gemaakt van verdriet,” stond er boven de rouwadvertentie. In de kathedraal van Helsinki trokken 17.000 mensen langs de baar. Toen Sibelius de volgende dag naar zijn laatste rustplaats in Järvenpää werd gereden stonden de Finnen rijen dik langs de hele 38 kilometer lange route om hem een laatste groet te brengen.
Ik ben trots op Finland.
Gepost door Martien op 20:25 View Comments