Het zal mijn katholieke herkomst zijn, denk ik; de herinnering aan moeder die opschrikte als op een doordeweekse dag 's morgen om elf uur de kerkklokken begonnen te luiden, want dan was er iemand dood gegaan; of anderzijds het feestelijke gebeier dat de kroon zette op het vuurwerk in de nacht van oud op nieuw. Als er klokken luiden is er iets bijzonders aan de hand – zo is het in de muziek ook, en ik ben voor een muziekstuk reddeloos verkocht zodra er klokken in klinken. Ik zwoeg me door de hele, taaie, godsonmogelijk langdradige brei van Wagners Parsifal heen alleen maar voor het donkere bonzen van de reuzenklokken van Montsalvat. Mahler, toch al niet te versmaden, verdient nog een streepje meer omdat hij een klokkenist par excellence is, die alle stemmingen van het luiden in zijn symfonieën aan bod laat: feestelijk en uitgelaten in de Tweede en de Zevende; hoopgevend in de Negende; mysterieus dreigend in de Zesde; middeleeuws naïef in de Derde; en ernstig vermanend in de Achtste. Malcolm Arnolds Vijfde, Khatchaturians Tweede (bijnaam "De Klok"), Casella's Tweede – er is een hele reeks weinig bekende symfonieën waar ik misschien de weg nooit naar toe gevonden had als er geen klokken in hadden geklonken.
Dat ik meerdere opnames van Sjostakovitsj' Elfde in de kast heb staan komt deels ook omdat het een symfonie-met-klokken is. Een heel erg foute symfonie, waar een mens met smaak en fatsoen eigenlijk niet naar hoort te luisteren. Filmmuziek zonder film, zeggen de critici graag, regimevriendelijke agitprop vol eindeloze herhalingen en gespeend van enige symfonische merites. Er is geen contrapunt van betekenis te bekennen, harmonisch gebeurt er ook weinig revolutionairs, en zelfs de melodieën zijn niet origineel, die heeft de componist nagenoeg allemaal ontleend aan de revolutionaire volksmuziek.
Het werk werd in 1957 voltooid en was een instant succes. Vadertje Staat was tevreden: aan de eisen van het Socialistisch Realisme was voldaan, en ook het programma van de muziek kon op instemming rekenen: het betrof de gebeurtenissen van de Bloedige Zondag van 1905, toen de tsaar voor de poorten van zijn Petersburgse Winterpaleis een vreedzaam betogende menigte met grof geweld in de pan liet hakken. Later hebben Sjostakovitsj-adepten die met het stuk omhoog zaten nog wel geopperd dat het eigenlijk een aanklacht is tegen het staatsgeweld waarmee net de opstand in Hongarije was neergeslagen, maar voor die aanname is er weinig bewijs. Hoe dan ook, het publiek was al niet minder enthousiast dan de autoriteiten, en Sjostakovitsj beleefde met de Elfde zijn grootste triomf sinds de even dubieuze maar waanzinnig succesvolle Zevende.
Vreemd eigenlijk. Weliswaar is er geen gebrek aan luidruchtig spektakel en begrijpelijke deunen, maar je kunt de Elfde toch moeilijk een crowd-pleaser noemen. Het is een bars en grimmig werk vol ijzige kou, zuchtende droefenis, en moord en doodslag. Het eerste deel is vijftien minuten bevroren stasis, met een dynamiek die zelden het piano overstijgt, gevuld met ijle dissonanten van de strijkers die in de oren bijten als strenge vorst in je vingers. Wanneer het drama alsnog losbarst blaft het koper de ene schurende dissonant na de andere, en als, net voordat de Technicolor verklanking van Bloedige Zondag arriveert, de trombones zich vele maten lang op volle kracht door glibberige glissando's omhoog sleuren keert je maag zich zowat om. En tenslotte is er wel een overweldigend slotgebaar, met die klokken, maar het is een razende, blinde paniek waarin dit werk, opgejaagd door een donderende galop van de grote trom, naar zijn einde vlucht. Bepaald geen materie waarvan je verwacht dat het Volk er opgetogen van raakt. Het zal dus de elementaire, bijna schaamteloze uitdrukkingskracht van de eenvoudige middelen zijn die het hem doet. Ik krijg er elke keer kippenvel van - het uur van de Elfde verveelt me nooit.
En gelukkig zijn er dirigenten te over die genoeg geloven in dit werk om ermee te overtuigen. Haitink deed dat al, met een wonderschone opname uit het Concertgebouw; het heeft bijna iets pervers om zulke orkestrale finesse aan een stuk als dit te spenderen, maar het werkt wel. Jammer alleen dat de klokken er wat bekaaid vanaf komen. Wat dat betreft biedt Oleg Caetani in Milaan het andere uiterste: die komt op de proppen met immense, kathedrale klanken, alsof ie denkt dat ie Parsifal doet – geweldig spectaculair maar ook nogal absurd, meer geluidseffect dan muziek. Best van allemaal is Alexander Lazarev met het Nationaal Orkest van Schotland op het kleine label Linn. Intens geconcentreerd, onverbiddelijk gefocust, met in het eerste deel een Paleisplein waar je acuut aan vastvriest. Het onverdraaglijk saaie derde deel, met een sullig thema dat bij het voorgeschreven adagio als los zand uit elkaar valt, neemt hij plompverloren alla breve, en brengt daarmee redding. De rest is magnifiek. Nadat tenslotte een weemoedige Engelse hoorn uitvoerig heeft gemijmerd over het hoofdthema rolt plots de donder, en jaagt een gorgelende basklarinet de finale storm aan. En terwijl takken en puin je om de oren vliegen zijn daar eindelijk de klokken, luid en panisch, die je manen een veilig heenkomen te zoeken terwijl ze tegelijk zeggen dat het daarvoor al veel te laat is.
vrijdag 19 november 2010
Russisch beieren
Gepost door Martien op 10:57 View Comments
Labels: *Sjostakovitsj, CD, Muziek
maandag 8 december 2008
Oud en nieuw
Vergaat het anderen ook zo, vraag ik me af; dat componisten in en uit de gratie raken, of misschien beter gezegd binnen gehoorsafstand komen en zich er dan weer uit verwijderen, sommigen in cycli van jaren, anderen van maanden – als kometen in een muzikaal zonnestelsel? Er zijn in mijn geval maar heel weinig componisten die altijd aan de hemel staan; zo weinig, nou ik erover nadenk, dat het er eigenlijk misschien maar één is, Beethoven, die als ik de beeldspraak naar zijn uiterste consequentie voer dan de zon moet zijn in mijn muzikale universum. Dat laat altijd nog ruimte voor een maan, maar een naam schiet me daarbij maar zo niet te binnen.
Sjostakovitsj, dat is wel zeker, hoort tot de kometen met een meer wijdlopige, elliptische baan. Maar elke keer als hij weer in beeld komt word ik geraakt door dat geteisterde leven, de angstige balanceeract tussen kunstzinnige integriteit en de druk van een politiek systeem dat de muziek voor zijn karretje wilde spannen (je zou soms willen dat onze politiek kunst daar belangrijk genoeg voor vond). Het kan best een jaar geleden zijn dat ik voor het laatst iets van hem hoorde voordat ik recent ineens begraven raakte in zijn strijkkwartetten, en in het kielzog daarvan ook de symfonieën weer langs het firmament zag scheren.
Bijvoorbeeld op deze twee recent verschenen CDs van ons aller Bernhard Haitink, die zich bijna tegen wil en dank een reputatie als Sjostakovitsj-dirigent heeft verworven. Dat komt dan vooral door zijn indrukwekkende symfoniecyclus op Decca, in de jaren ‘70 en ‘80 opgenomen met het London Philharmonic en het Concertgebouworkest. Interessant genoeg dateert ook de ‘nieuwe’ uitgave van de Tiende symfonie uit die tijd; ze werd opgenomen tijdens de BBC Proms van 1986. Vergelijking met de splinternieuwe Vierde uit Chicago laat er weinig twijfel over dat Haitink 22 jaar geleden een geïnspireerder Sjostakovitsj-dirigent was dan hij nu is; en dat komt uit de mond van iemand die de Vierde een beduidend geïnspireerder werk vindt dan de Tiende.
De opname van de Vierde komt met een bonus-DVD onder de titel Beyond the score. Zo heet de serie van preconcert talks waarmee het publiek in Chicago’s Orchestra Hall wordt klaargestoomd voor de noten. Nou ja... Deze bombastische semi-performance bevat hoegenaamd niets dat je veel wijzer maakt over de muziek, maar bombardeert je wel met alle denkbare clichés, die de symfonie bij voorbaat beladen met associaties van marcherende horden, stampende machines, walmende industrie en Stalinistische gruwelen. En Charlie Chaplin slapstick. De makers lijken weinig te beseffen hoe ruïneus zoiets kan zijn. Ik kan Stravinsky’s Les Noces amper meer serieus beluisteren sinds een kennis, daar waar de bruiloftsgasten erg uitbundig worden, meewarig opmerkte “Je zult zo toch moeten trouwen…”. In een interview op dezelfde DVD tekent ook Haitink bezwaar aan tegen deze onzin (terzijde, wat een buitengewoon innemende en ontroerende man is dat toch, nog altijd het verlegen schooljongetje, maar eentje met diepe gronden). Hij onderstreept het overwegend intieme en persoonlijke karakter van dit werk, dat veel vaker zacht dan luid is, al is dat niet de reputatie die het geniet.
Maar in zijn uitvoering gaat hij toch echt een beetje te ver in het benadrukken van de ingetogen en peinzende momenten. Is music dangerous? zo vraagt de ondertitel van de DVD. Het antwoord: niet als je Haitink er zijn gang mee laat gaan. Het tempo grenst bij tijden aan stasis, zodat dit de traagste uitvoering van de Vierde is op CD: ruim 70 minuten waar veel van Haitinks collegae aan 60 genoeg hebben. Wat is dat toch, die neiging van ouder wordende dirigenten om het rempedaal nooit meer los te laten? Natuurlijk, als je langzamer rijdt kun je beter van het uitzicht genieten, maar dan moet er wel iets te zien zijn, en dat valt daar in Chicago best tegen – eerder heerst een grijzige eentonigheid, voor een deel ongetwijfeld veroorzaakt door de nogal ongelukkige akoestiek (of het gebrek eraan). Maar ook de brute momenten die het gemijmer telkens weer aan flarden scheuren klinken veel te beheerst en gepolitoerd – daar moet het brullen en stampen, woeden en krijsen, maar hier blijft het bij heel-netjes-best-wel-hard-spelen. Wat een contrast met de duistere majesteit van Haitinks eerdere, overigens ook al trage, Londonse uitvoering.
Pas in de finale, bij partituurnummer 184, waar de Vierde voor de eerste en enige keer in onversneden, tomeloze blijdschap uitbarst breken Haitink en zijn spelers eindelijk door hun remmingen heen. De bizarre reeks van parodistische walsen en marsen die volgt is prachtig gedaan en fonkelt van geestig detail. En ook de cataclysmische nepclimax net voor het coda is indrukwekkend – dit is een van de weinige opnames waar je de terugkeer van de treurmars die de Finale opende daadwerkelijk kunt horen in de koperen diepten onder al het duizelingwekkende tumult van ostinato pauken en krijsende houtblazers. Daarna mist ook het eindeloos eenzame coda, met zijn verre donder en zijn verwaaide Last Post, zijn effect niet – wat een geniale vondst toch, om de celesta nog net, in de allerlaatste maten, te laten wegbreken uit de kluisters van c klein, zodat wat lang een voltrokken tragedie lijkt op de valreep verandert in een enorm vraagteken.
In de Tiende wordt van heel wat dikker hout planken gezaagd en valt er over gebrek aan power niet te klagen. Alleen jammer dat ook daar de ongelukkige akoestiek, van de Royal Albert Hall ditmaal, roet in het eten gooit. Waar het hard moet gaat het hard, en met een lekkere, vette, diepe bas, alleen gaan nogal wat belangrijke melodische details daarin helaas roemloos ten onder. Zodra het stiller wordt trekt de orkestklank zich schuchtertjes terug in ijle verten en is het soms moeilijk het gevoel van contact met de muziek te bewaren. In de editing room is iemand niet helemaal wakker geweest denk ik, want het linker- en rechterkanaal staan verkeerdom op de CD.
Maar het mag, zeker naar het einde toe, de pret niet drukken. Daar is het effect beslist meeslepend, met juichende hoorns die het fameuze, eindeloos herhaalde D-Es-C-H onbehouwen de zaal inslingeren, en een slotgalop die klinkt alsof de bedachtzame Haitink zich te buiten is gegaan aan een flinke snuif speed. Het applaus krijg je er ook bij, dat viel niet weg te redigeren want het barst al los voordat de laatste noot verklonken is. Niet voor dagelijks gebruik al met al, eerlijk gezegd een wrattenzwijn van een CD, maar best te hebben die ene keer in het jaar dat de Sjostakovitsj-komeet langs de hemel trekt.
Gepost door Martien op 21:57 View Comments
Labels: *Sjostakovitsj, CD, Muziek